Eene oudheidkundige verhandeling over de Zaan

meeste leden van ‘t Nut waren van doopsgezinde huize

Zaandijk, 3 augustus 1816. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, departement Koog en Zaandijk vergadert in herberg ‘De Zwaan’. Aanwezig zijn de leden, de notabelen van Koog aan de Zaan en Zaandijk. Voorzitter is deze keer Ds. Jan Visser.

Het Nut is een club van ontwikkelde burgers die zich het lot van de lagere klassen (’t Algemeen) hebben aangetrokken met als doel ze te emanciperen. De Nutsleden waren mensen met een missie: bewust geworden mannen - vrouwen konden geen lid worden - van goeden huize die vanuit hun christelijke bewogenheid (de meesten waren doopsgezind) een aanvang willen maken met “het wegwerken van de vernederingen van het in onwaardige omstandigheden verkerende volk.” Uiteindelijk hebben ze niets minder dan het ‘volksheil’ en het ‘algemeen volksgeluk’ voor ogen.

Het oogmerk is de verbetering van het onderwijs: de opleiding van onderwijzers, de leerboeken (vaak door leden geschreven), de behuizing en een grotere toegankelijkheid voor kinderen uit de volksklassen (het Nut betaalde dan het schoolgeld).

Kennis, het verwerven en het verspreiden ervan stonden hoog in het vaandel geschreven. Het Nut had vele afdelingen (departementen) in het land. De ‘centrale’ zetelde in Amsterdam. Tussen de departementen onderling werden vele boeken en geschriften uitgewisseld en besproken. Met hield elkaar op de hoogte over onderwerpen op allerlei gebied.

In dit licht moet ook onderstaand openingswoord worden bezien. Een opening in afwijking van de gewoonte om met een stichtelijk woord te beginnen, zoals bijvoorbeeld van de boven vermelde dominee Jan Visser op de departementsvergadering van 21 april 1811: “De voorzitter opende de vergadering met eene redevoering over de Eerzucht, die onder hartstochten eene eerste plaats bekledende onzer overweging wel verdiende.” Per slot van rekening waren de meeste leden van doopsgezinde huize. Het kan niet anders dan dat de dominee zich in de betreffende literatuur heeft verdiept (zie beneden) en van oordeel was dat zijn bevindingen belangrijk genoeg waren om op de vergadering te berde te brengen, zoals ook uit het slotwoord van de secretaris moge blijken: “(…)eindigde den redenaar zijne openingsreden met den wensch dat onze verdere werksaamheden stof tot genoegen mogte opleeveren en strekken om onze bijeenkomst nuttig voor ons en ’t algemeen te doen zijn.”

Vergadering van het Departement
gehouden te Zaandijk 3 Aug 1816
’s Avonds 5 uren.
Onder voorzitting van den Eerw. Hr Ds J. Visser!

De voorzitter opende de vergadering met eene oudheidkundige verhandeling over de Zaan. Na opgemerkt te hebben dat in de beschrijving van de Zaanlandsche Dorpen door Loosjes hoe belangrijk anders over de Zaan zelve geen aantekening van eenig belang voorkoomt.

Dat in de Zaanlandsche Arkadia van Zoeteboom veel over de Zaan voorkomt, doch dat werk niet oordeelkundig nog onpartijdig genoeg was geschreven om zich op ’t zelve te verlaten en dat dit een en ander de redenaar tot zijn onderwerp bepaald had.

Na in ’t midden gelaten te hebben, of zo als Soeteboom zegt de Zaan haar naam ontleend zoude hebben van den overvloed van melk, die door de vette en grazige weiden van ouds af aan hare boorden opgelevert wiert, of liever van de dikke melk Zaan genaamt die reeds in vroegere eeuwen veel gebruikt wiert.

Na eindelijk opgemerkt te hebben dat onze Zaan die nu geen rivier meer heeten kan voormaals zig zuid en noordwest aanmerkelijk uitgestrekt en tot de rivieren behoort heeft bepaalde den redenaar zich verder te spreken.
  1. Over den ouden loop en vroegere uitgestrektheid van de Zaan en
  2. Over de redenen voor en den tijd van hare tegenwoordige beperking.


Omtrent den ouden loop en vroegere uitgestrektheid der Zaan kwam voor het eerst in aanmerking dat de Zaan zeker haar loop heeft gehad langs ’t dorp Zaanden waarvan het bestaan zeker niet in twijfel te trekken was ofschoon Oostzanen & Westzanen in vroeger eeuwen Hostzegnen & Westzegnen haar naam van de Zaan kunnen ontleend hebben. Niet alleen maken de oude schrijvers van Zaanden gewag maar men heeft ook omtrent dat gedeelte der Voorzaan, ’t Kerkrak genaamt, bij het graven van een sloot in 1737 veele doodskisten en doodsbeenderen gevonden. Er was ook oudstijds eene Heerlijkheid die de naam van Zaanden droeg waartoe waarschijnlijk de banne van Westzanen en Krommenie behoort hebben. Men vermoed ook dat ’t stamhuis der Heren van Zaanden gestaan heeft ten westen van de Zaan. Volgens de oude kroniekschrijvers is Zaanden in 1155 door de Dregtersche Friezen verbrand.

De hulp welke bij die gelegenheid zo van Haarlem als uit Osdorp aan de overzijde van ’t IJ gelegen, aan die van Zaanden wiert aangebragt, strekt daar den dam te Sparendam toen nog niet gelegen was en het land tot aan de overzijde van ’t IJ zich zonder eenige aanmerkelijke tusschenruimte uitstrekte. Ten bewijze dat men door Zaanden niet den tegenwoordige Zandpoort moet verstaan, daar tevens ook ’t groot verschil der namen geene aanleiding toe geven. De Zaan wordt door oude schrijvers als eene aanmerkelijk uitgestrekte rivier gemeenschap hebbende met den Rhijn opgegeven. Deze vermaarde rivier heeft volgens eenige Romeinse schrijvers een uitloop gehad in zee niet alleen bij Katwijk maar ook door een meer Flevum genaamt, nu de Zuiderzee en waarschijnlijk aan eenig gedeelte aan de Noordhollandsche zeekust. Onzeker is tot welke tak dezer uitloper eigentlijk de Zaan behoorden.

Ons vaderland is overal doorsneden geweest met rivieren en meeren die met de Noordzee gemeenschap hadden. Behalven het genoemde meer Flevum was de Zuiderzee in de vroegste eeuwen land. Zelfs bij het ontstaan van het Marsdiep door de afscheuring van het tegenwoordige eiland Texel van De Helder omtrent het einden van de 13de eeuw was een zeer aanmerkelijk deel van ’t land, nu Zuiderzee, nog aanwezig.

De vooronderstelling van Zoeteboom dat de Zaan een tak van den Rhijn is geworden nabij Leiden is niet volstrekt verwerplijk. ’t IJ is zeker in vroeger eeuwen een kleen meer geweest en heeft meest uit land bestaan.

In de oude kaart van Joost Jansz. Beeldsnijder, in 1575 ten dienste der Spanjaarden vervaardigd, vind men op ’t eiland den Hoorn nog een kerk en op ’t eiland de Waard lag omtrend dien tijd Spaansche bezetting. In vroeger eeuwen derhalven kan ’t tegenwoordig Zaandammer land met het eiland den Hoorn zich niet alleen bijna uitgestrekt hebben tot de overzijde van het tegenwoordig IJ , maar ook kan dat land vereenigd zijn geweest met Ruigoord en kan daarom de Zaan zeer wel langs dat land door het tegenwoordig Halfwegen en door de landen welke sedert eeuwen in de Haarlemmer meer verdronken zijn tot nabij Leiden zich uitgestrekt hebben.

Echter is misschien de oorsprong van onze oude rivier als een tak van den Rhijn elders en minder ver te zoeken. De strekking van ’t Zaandammer land pleit voor die gissing en voor de grote waarschijnelijkheid dat ’t IJ grotendeels land geweest is. De Nes en de Volewijk duiden aan dat buiten eenige meertjes tusschen het Zaandammer land en Amsterdam alles land was. Voor de verwoestingen van het meer Flevum door de overstroming van den Rhijn zelve en vervolgens door het afscheuren van Texel van de Helder veroorzaakt.

Over den loop en strekking der Zaan noordwaards is minder bepaling nog op te geven. Men heeft geen grond om te bepalen of de Zaan voorheen van Knollendam af gelopen heeft noordwaarts naar Oost en Westgrafdijk of noordwest aan door de Stierp. Er is geen spoor zekerlijk van den ouden loop te vinden. Hierbij moet men opmerken dat het IJ in vroeger eeuwen volkomen gemeenschap had met onze Noordhollandse binnenmeren. Niet alleen van de kant der Zuiderzee waarvan de naam van Edam of IJdam en die van Middelie of Middelij zou ontleend zijn geworden, maar zeer zeker van de kant van de Beverwijker meer hebbende het IJwater voorheen langs den dijk of ’t Land van Assendelft achter Krommenie en Krommeniedijk eenen vrijen loop gehad in de Uitgeester of Alkmaarder meer.

Dit is zeker dat de Zaan voor hare beperking zich in de Noordhollandse plassen heeft uitgestort en met het IJ ook zich vereenigde, doch zij kan voordat die plassen groot waren en voordat het IJ tot dezelve genaderd was volgens het gevoelen van Zoeteboom (die des Zaans uitloop bij Petten stelt) zeer wel in de Noordzee uitgewaterd hebben.

De vooronderstelling van den uitloop juist bij Petten is onzeker en words zuks zelfs met meer waarschijnlijkheid gestelt tusschen Kalansoog & Huisduinen dewijl men volgens Paludanus aldaar nog zeer lang de kenmerken van een oud zeegat gehad heeft.

Doch moet ook opgemerkt worden dat in dat zeegat waarschijnlijk de uitloop heeft plaats gehad van eenen tak eener Rhijnarm die voor velen eeuwen reeds opgedroogt is en bij oude schrijvers de Kinheim genaamt wert uit hetgeenen door den Heer Engelberts uit al oude geschiedenissen ten deze is bijgebragt. Dat den Rhijn het oud adelijke Brederode heeft langs gevloeid, dat men bij het aloude Aalbregtsberg (nu Nieuw Bloemendaal) en wat verderop drie visrijke meertjes vind, die voor overblijfsels van den Rhijn daar ter plaatse gehouden worden. Dat ’t opmerkelijk is dat zoveel adelijke huize, daar sommige onzer oude grave hun hof hielden, zo kort bij elkander in eene streek geboud zijn als de Vogelezang, Brederode, Velzen, Heemskerk, Assenberg, Kastricum, Egmond en andere, daar men zulke huizen en sloten gewoonlijk aan rivieren bouden.

Uit al dat aangemerkte blijkt wel dat Soeteboom te ver gaat met te zeggen dat de Kinheim de Zaan zelve zou geweest zijn. Maar als men daarbij opmerkt dat in oude koopbrieven van landerijen aan den geestkant den oude Rhijn als bekent genoemt wordt, is er niets ongerijmds in de vooronderstelling dat de Zaan zich met de Kinheim vereenigt, ook met andre water haren uitloop in de Noordzee gehad heeft.

Wat nu ten anderen de reedenen voor en den tijd der tegenwoordige beperking aanbelangde
Men kon uit het opgemerkte zien aan welke overstromingen ons land voor ’t maken van genoegzame dijken moet onderhevig geweest zijn. Redene waarom ook op veele oude Noordhollandsche dorpen de kerken op aanmerkelijken hoogtens geboud zijn om namenlijk, daar men nog niet door dijken beschut wierdt bij overstroming, daarin een wijk en bergplaats te vinden.

De aanmerkelijk afstanden van de oude zeegaten die ontwijfelbaar ettelijke mijlen verder in zee lagen dan de tegenwoordige en de overstroming der rivieren bevorderde de bewoonbaarheid des lands. Maar omtrent de 13de en ’t begin der 14de eeuw had hieromtrent eene grote verandering plaats. Toen begonnen de vloed uit de Noordzee eene meerdere werking op onze rivieren en meeren te nemen. Toen wierd men genoodzaakt overal de dijken te verzwaren en afdammingen te maken van welke vele plaatsen in Noordholland hun naam ontlenen. Waaruit volgt dat Texel tot in de 13de eeuw aan de Helder vast was. Het was in gevolge van het inbreken van het Marsdiep, zo als eertijds ’t gat tusschen Texel en de Helder genoemd wierd, dat het land tusschen Stovoren, Enkhuizen & Medenblik door de golven geheel bedolven geraakte en voorts alle meeren door de zee wierden ingezwolgen. Zo brak de Zuiderzee tot het IJ door dat toen reeds door de bove genoemde oorzaken ook veel land ingezwolgen had en eene aanmerklijke waterplas geworden was. Overal moest men tot behoud des lands maatregels nemen en was men dus genoodzaakt ook aan de Zaan hare tegenwoordige beperking te geven.

Tot omtrent 1300 was het water van Rhijnland gemeen met ’t Sparen en ’t IJ en dus ook met de Noordhollandsche meeren. Maar omtrent dien tijd was de dam te Sparendam gelegt geworden en volgens de oude handvesten van Westzanen en Krommenie waren in 1346 reeds dijken langs de IJkant tot beschut dier beide banne, die in 1397 reeds zware dijken waren. Omtrent of reeds voor 1357 was volgens de handvesten van Assendelft in ’t IJ agter Krommenie even bezuiden den Busch den Nieuwendam gelegt waardoor van dien kant Noorholland voor de zeevloed beveiligt wiert. Wanneer de Dam te Zaandam oudstijds de Voordam geheten, gelegt wiert is onzeker. Zeker voor 1399, waarschijnlijk voor 1388 en diende met den nieuwen dam agter krommenie ten zelven eender.

De beperking ten noorden is aan de Zaan gegeven door het maken van eenen dam te Knollendam, die genaamt wierdt de Noorddam, waarschijnlijk gelegt in 1374, tenminste toen wiert in die dam een sluis gelegt die van ’t begin af vereischt wiert. In 1560 wierd in dien dam nog een sluis gelegt of misschien wel eene andere grotere, waar nu de doorvaart is, dewelke omtrent 1632 weder uitgebroken is.

De laagte van de Noorddam bewezen uit de geringe waarop de kerk te Knollendam geboud is, toond aan dat dezelve niet diende tot keering van ’t zeewater. Men mag vooronderstellen
  1. dat voor het maken van de Noorddam de vroegere gemeenschap van ’t IJ vervolgens van Zuiderzee met de Noordhollansche binnenmeeren zo door den meer genoemde Nieuwendam en door verdre dammen te Edam en elders had opgehouden.
  2. dat de Voordam te Zaandam eerder ten minsten gelijk met de Noorddam gelegt is. Waarschijnlijk wierd dus de Noorddam gelegt om ’t geweld van ’t water der binnemeeren te keeren, dewijl ook de sluis in 1560 gelegt, diende om ’t water zuid aan te doen lopen en alzo ’t water uit de meeren door te laten.

De Kuil, de Poel, de Enge Wormer, het Zwet & Schalsmeer doen zien welke verwoestingen omtrend de Zaan in oude tijden zijn veroorzaakt. Ook toond de Zaan bij Knollendam en het afgespoelde IJland zulks aan en een en ander doet zien dat de genoemde reden voor ’t leggen ener sluis degelijk bestond. Toen de Sterremeer bedijkt was, hield de reden op en door de bedijking der anderen meeren wiert eene aanmerkelijke en vrije doortogt van water door Knollendam volstrekt noodzakelijk. Zo wel tot het verkrijgen en bewaren ener genoegsamen diepten als tot bevordering van de uitwatering door den dam te Zaandam.

Nadat een en ander op eene onderhoudende wijze voorgedragen met vele bewijzen gestaaft en daaruit aangename en nuttige bedenkingen afgeleid te hebben, eindigde den redenaar zijne openingsreden met den wensch dat onze verdere werksaamheden stof tot genoegen mogte opleeveren en strekken om onze bijeenkomst nuttig voor ons en ’t algemeen te doen zijn.

Aldus vastgelegd door de secretaris Jan van Vleuten. Zijn spelling zit vol fouten, ook naar de maatstaf van de tijd, de spelling Siegenbeek van 1804. Met name hoofd- en kleine letters, aan elkaar of los schrijven en de interpunctie.
Overigens: de vergadering wilde de verhandeling voor rekening van het departement laten drukken “en algemeen verkrijgbaar te doen maken.” Maar Ds. Visser was daar tegen, hij wilde wel voor afschriften voor belangstellenden zorgen.

De belangstelling voor de geschiedenis van de Zaanstreek nam in de negentiende en twintigste eeuw alleen maar toe. De bekendste lokale historici op dit gebied waren vader en zoon Honig, Jacob Honig Jansz. Jr. (1816-1870) en Gerrit Jan Honig (1864-1955). Vader Honig begon met het verzamelen van publicaties over de Zaan en zoon Gerrit Jan wist deze verzameling uit te breiden tot een aanzienlijke bibliotheek, waaruit hij regelmatig voor zijn vele publicaties putte.

De eerste lokale historicus was Hendrick Jacobsz. Soeteboom (Oostzaandam 1616-1678), daarnaast ook dichter, boekverkoper en herbergier, bekend van De Zaanlants Arkadia (1658); gevolgd door Adriaan Loosjes (Westzaandam 1689-1767), doopsgezind predikant en houthandelaar: Beschrijving der Zaanlandsche Dorpen (1794), postuum gepubliceerd en uitgeven door zijn zoon Petrus Loosjes (1735-1813) en zijn kleinzoon Adriaan Loosjes (1761-1817) te Haarlem.

Peter Luijsterburg

Bronnen:
  1. F. Bohn en A. Loosjes: Beschrijving der Zaanlandsche Dorpen, Oostzaan, Oostzaandam, Westzaan, Westzaandam, Koog, Zaandijk, Wormerveer, Westknollendam en Nauwerna, Haarlem 1794.
  2. H. Soeteboom: De Zaanlants Arkadia, in welke verhandelt wort Van der Batavieren (nu Hollanders) en Caninefaten (nu Kermers) oorspronk, bewoninge en mannelijke daden, Dorpen en Heeren Woningen: Daar benevens, Van der Zaan, een Spruchtel des Rijns, zijn voorleden en tegenwoordige wezen, en uitgang, met de beschrijving der Dorpen die van outs aan de Zaan gelegen hebben, en die ‘er nu noch gevonden worden. In vijf Boeken te zamen gebracht. t’ Amsterdam, Bij Gerrit van Goedesberg, Boekverkooper op ’t Water, 1658.
  3. De loop van de Zaan van Leiden naar Petten (uit Soeteboom). Om de kaart te zien, ga naar Gemeentearchief Zaanstad en tik in de zoekmachine 5100057.
  4. De kaart van Beeldsnijder. Om de kaart te zien, ga naar Gemeentearchief Zaanstad, en tik in de zoekmachine 501361.
  5. Bernardus Paludanus (1550 - 1633) was een Nederlands wetenschapper en arts. Hij is vooral beroemd geworden om zijn rariteitenkabinet. Dit rariteitenkabinet was het eerste van belang in Nederland. Uit heel Europa kwamen bezoekers voor zijn verzameling. Als wetenschapper correspondeerde Paludanus met veel bekende geleerden en hij was bevriend met veel bekende personen. Hij woonde het grootste deel van zijn leven in Enkhuizen.
  6. Jan Wagenaar, Hendrik van Wijn, Nicolaas Cornelis Lambrechtsen, Antonie Martini, Engelbertus Matthias Engelberts, Jona Willem te Water, Petrus Adriaanszoon Loosjes: Vaderlandsche historie: vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden, in zonderheid die van Holland, van de vroegste tyden af: Uit de geloofwaardigste schryvers en egte gedenkstukken samengesteld. Tirion, 1797

Reageer op dit artikel