Architectuur en bouwtechnieken

Het skelet bestaat uit een aantal ‘‘jukken’’

Als je nu over de Lagedijk loopt en naar de architectuur van nu kijkt, zie je dat er overwegend met stenen materialen wordt gewerkt.

Aan de buitenkant zijn het bakstenen met af en toe houten stukjes die als versiering dienen. Deze stenen huizen zijn met hun constructies zo sterk mogelijk gemaakt. Het berust allemaal op heipalen, beton en vlechtijzer. Binnen werden alle leidingen en constructies zoveel mogelijk weggewerkt.

Vroeger gebeurde dit alles heel anders, waarvan het pand Lagedijk 214 een goed voorbeeld is. Om te beginnen werden er zogenaamde "poeren" gemaakt waar de fundamenten op kwamen te rusten (poeren zijn kleine stenen opgemetselde vierkante muurtjes). Over deze poeren liepen houten balken verbonden met de omtrek van het huis, daarna volgden er diverse vloeren. De vloerdelen in de 17e eeuw en dus in het huisje ook, waren ongeveer 38 cm breed. In vergelijking met heden is dit zo'n drie keer zo breed. Dit kwam omdat ze nog geen zaagmachines hadden en het minder werk was om dikkere planken te zagen.

Hierna volgde de gehele opbouwing van hout. In het geval van dit pand gaat het om een tweebeukig huis, wat betekent één grote hoofdbeuk (verdiepingshoogte 2.80 meter) en een smalle zijbeuk (hoogte 1.80 meter). Voor de buitenkant werd weeghout gebruikt. De planken werden over elkaar geplaatst, de zogenaamde "getrapte weeg", dit om te voorkomen dat regenwater het huis binnen kon dringen. Deze planken moesten met de hand worden geschaafd omdat er toen nog geen machines waren. Dit schaven wordt ook wel "disselen" genoemd. Binnen werd er het zogenaamde wagenschot gebruikt. Dit wagenschot houdt in dat het het eerste "verse" hout is wat van een eikeboom wordt gezaagd. Het is erg dun waardoor het alleen geschikt is voor de binnenkant. Het werd door de houtmolens in de Zaanstreek gezaagd waardoor het hier erg goedkoop was in vergelijking met de rest van het land. Buiten de Zaanstreek werd het duur betaald.

Jukken
Wat dit alles betreft is het pand karakteristiek voor de 17e eeuw. Verder is ook het houtskelet van het pand waardevol omdat het erg zeldzaam is geworden. Het skelet bestaat uit een aantal ''jukken'' die op ongeveer 160-180 centimeter van elkaar zitten.

Een juk is samengesteld uit 2 stijlen met daartussen een horizontale zolderbalk (zie foto). Over de bovenkant van de stijlen ligt het "wurmt", een draagbalk voor de spanten van het dak).

Aan de noordzijde van het pand zijn er de zogenaamde ankerbalkgebinten. Er werd vroeger (17e eeuw) nog met houten pennen gewerkt (in plaats van spijkers). Deze pennen van de zolderbalken steken ruim 30 cm door de gebintstijl heen en zijn daar met een horizontale wig vastgezet. Deze 17e eeuwse constructie is zeldzaam bij woonhuizen en werd vooral voor driebeukige pakhuizen gebruikt.

Reageer op dit artikel