Molenimperiums in Koog aan de Zaan

Molen De Pink is overgebleven

Het gebied rond de Mallegatsloot wat vroeger een industrie en handelsgebied was waar al in de vorige eeuw aan recycling werd gedaan zoals, zakkenhandel, vatenhandel, eenmaal gebruikte dozen en van recenter datum de firma Boeldag. Dan dacht ik toen nog aan een industrieterrein als een begrensd gebied voor industrie zoals tegenwoordig de Achtersluispolder bijvoorbeeld.

Onze voorvaders echter zagen de gehele Westzijder- en Oostzijderpolder als hun industriegebied waar gewoond en gewerkt werd. Door het overal aanwezige water en voldoende wind waren hier volop mogelijkheden om te produceren.

In dit gebied ontstonden vanaf het jaar 1600 vele molens verspreid over de veldjes die rondom door water omgeven waren. Via smalle paden en bruggetjes waren zij toegankelijk voor de molenarbeiders terwijl de aan en afvoer van de produkten over het water geschiedde.

In Koog aan de Zaan waren deze paden onder meer: Het Breed, het Varkenspad, het Tuinpad, het Koekoekspad, het Rellekepad, het Loodwitmolenpad, het Broodkorfspad, het Pinkepad, en het Sluispad.

In de Zaanstreek waren midden 19e eeuw nog 119 molens aanwezig. Vier inwoners van de Koog speelden hierin een belangrijke rol want zij bezaten tezamen in dit gebied 42 molens.

Dirk Groen, 1 molen: De Munnik.

Jacobus Kluyver, 3 molens: De Jonge Wolf-De Woudaap-Het Honingvat

Evert Smit, 17 molens: De Kraai, De Katuil, De Wezel, De Nachtegaal, De Wachter, De Engel, De Sint Lucas, De Jasper, De Koe, Het Wittepaard, De Veerschuit, De Wind, De Zeeman, De Prolpot, De Oude Dekker, De Bezem, De Witte Bijl.

Cornelis Honig, 21 molens, De Dood, De Haan, De Jonker, Het oude Kalf, De Kat, De Quak, De Kikkert, De Ooievaar, De Paap, De Pink, Het Vette Schaap, Het Varken, De Windhond, De Oude Zwan, De Wandelaar, Het Windei, De Strijd, De Verdwaalde Boer, De Oude Visser, De Kaver, De Broodkorf.


Honig liet eind 19e eeuw door architect Immink aan de Lagedijk het Italiaans aandoende woonhuis bouwen dat nu onderdak biedt aan apotheek Groesbeek



Deze Cornelis Honig had zijn eigen molenwerf met molenmakerswerkplaats nabij het Broodkorfspad om het onderhoud van zijn vele molens uit te voeren. Hij liet eind 19e eeuw door architect Immink aan de Lagedijk het Italiaans aandoende woonhuis bouwen dat sinds kort onderdak biedt aan apotheek Groesbeek, helaas was dit wel een trendbreuk met de Zaanse houtbouw maar dit gebeurde in die tijd steeds vaker bij de Zaanse industrieelen. Van hieruit bestuurde hij zijn molenimperium. Ook beschikten deze vier families elk over een huisknecht die in dit uitgestrekte gebied, in de tijd dat er nog geen telefoon was, boodschappen naar de molens bracht.

Dat van deze 42 molens uiteindelijk, na het verbranden van molen De Haan in 1921, alleen molen De Pink is overgebleven mag een wonder heten gezien zijn belevenissen in het verleden: in 1792 ontstaat brand door het breken van een maalsteen. In 1915 nogmaals door blikseminslag. In 1926 breekt door een plotselinge windvlaag de kop van de molenas en blijven de wieken tenauwernood hangen boven de stelling. De molen wordt daarna hersteld met de molenas van de niet meer in gebruik zijnde molen De Jonker. Als doofpot blijft deze achter tot hij in 1932 tot stellinghoogte wordt afgebroken en uiteindelijk in 1940 geheel gesloopt wordt.

Teun Boot maakte hierover destijds het volgende gedicht:
De laatste Kooger Molen
Wel Pink wat sta je nu alleen.
Je vrienden en vriendinnen
Die gingen allen van je heen.
Wat moet je nu beginnen?
Het molenleger is heengegaan.
De meesten door verbranden.
Ook gingen er veel van de baan,
Door wrede slopershanden.
De Haan was trots op zijn figuur
En vast niet zonder reden;
Daar komt het al verterend vuur
En slaat hem naar beneden.

Rolf Stigter

Artikel overgenomen uit de Windbrief van de Molenvereniging.

Reageer op dit artikel