Achteruitgang

Er was een andere bedelaar die elke woensdag tussen de middag naar de buurt kwam en dan rechtstreeks naar het huis liep, waarvan hij wist dat er op die dag pannekoeken werden gegeten.


Hij kreeg dan een gloeiendhete pannekoek zo in zijn handen gedrukt, die hij om af te laten koelen eerst een tijdje over een hekje hing. Je had ook Trijn Tweehoed, die zelf-gebreide sokken verkocht. Zij had haar naam gekregen omdat zij altijd (over elkaar) twee hoeden op haar hoofd droeg. Je had gauw een bijnaam in Achter de kerk. Een buurtbewoner die eens in hevige dronkenschap meende hoog in een boom een nest met bokken te ontwaren, werd de rest van zijn leven 'het Bokkennest' genoemd. Dezelfde man had ook de bijnaam 'de Luchtballon'. Ook die naam was een gevolg van zijn dronkenschap.

Hij was eens 's middags zat thuisgekomen en dacht een grap met de buurtbewoners uit te halen. 'Jullie moeten naar de Dam op Zaandam gaan,' fantaseerde hij. 'Want daar word een luchtballon opgelaten.' De mensen hadden wel door dat hij probeerde hun een poets te bakken. En terwijl de man zijn huisje binnenging overlegden ze hoe ze hem met gelijke munt konden terugbetalen. Even later tikte iemand bij hem in raam. 'Je moet naar Zaandam gaan, er wordt een luchtballon opgelaten.' De dronkenman lachtte in zijn vuistje. Even later gebeurde hetzelfde. En ,daarna nog eens, en eens. Een grote groep kinderen rende huisje voorbij. 'In Zaandam wordt een luchtballon opgelaten,' riepen ze.

En toen begon de zatlap te twijfelen. Had hij het nou zelf verzonnen van die ballon, of zou het echt waar zijn. Hij wist het niet meer, en besloot voor de zekerheid maar eens te gaan kijken. En vertrok hij naar Zaandam, als enige van buurt... Je had (om nog even door te gaan met de namen) ook Dirkie Drie, een heel klein vrouwtje, die misschien zo werd genoemd omdat ze maar drie turfjes hoog was. De Bakkers in Achter de kerk (en dat waren heel wat) kregen consequent de naam 'Punt. Je had Jan de Waspik en Piet Suikerneus. Er was een huis dat 'De Vier Japen' heette, daar woonden vier mannen die inderdaad alle vier naar de naam Jaap luisterden. Het einde van de Domineestuin werd Elba genoemd, man die daar woonde kreeg de bijnaam Napoleon. De buurt bestond nog, het buurtleven bestond nog. Maar, zoals al gezegd, het was een aflopende zaak.

De jaren dertig, veertig, vijftig, zestig gingen voorbij. De achteruitgang schreed steeds verder. De vatenfabriek van Pielkenrood breidde sterk uit ten koste van buurt. Het hele deel ten oosten van de Nieuwe Vaart werd tenslotte door dit bedrijf in beslag genomen. Steeds minder mensen bleven in Achter de Kerk wonen, steeds meer huisjes werden gesloopt. Toen de jaren zeventig begonnen, waren er nog maar weinig woningen over. En ook die zouden verdwijnen, dat leek wel zeker.
Reageer op dit artikel