Dorp in een dorp

De buurvrouwen waren dan getuigen; hun getuigenis werd later notarieel bekrachtigd. Indien in de buurt iemand overleed werden onmiddellijk de buren gewaarschuwd, ook al was het midden in de nacht.


Zij moesten het lichaam van de overledene 'uitstrekken' en het lijk het doodshemd aantrekken. Ook het kisten, daags later, was de taak van de buren. De kist werd door zes buurmannen ten grave gedragen. Het gemeenschapsleven werd, tenslotte, ook bevorderd door de jaarlijkse 'comparities'. Door het 'Regelement van de Erven op de Nieuwe Vaart after de Kerk tot Zaandijk' van 8 februari 1710, was de buurt 'een dorp in een dorp' geworden, met eigen taken met betrekking tot het onderhoud van bruggen, paden en wallen. Uit de eigenaars van de percelen werden twee 'overluyden' gekozen, die er op toe moesten zien dat de bewoners hun plichten nakwamen. Maar ook de overluyden moesten weer gecontroleerd worden, en daarom waren er jaarlijks bewonersvergaderingen, de zogenoemde comparities. Eens in de twee jaar werden tijdens zo'n vergadering nieuwe overluyden gekozen.

Zolang alles goed ging in de buurt, hadden de comparities voor de bewoners vooral de functie van een gezellig avondje uit. 'Door de mannen werd er onder het genot van een Gouwenaar en een glaasje wijn of bier gekeuveld over molens en schepen, over gort en balken, over papier en brandverzekering, over winstmaken en weersverwachtingen. De vrouwen, meestal afgezonderd van de mannen, vervulden hun appartement met de cronique scandaleuse van het dorp, met snaterende keuvelarijen over huwelijk en geboorte, doop en kommunie, over een naaiwerkje, of het kind dat al 'zo aereg door de kamer begint te skoddere.' (Van Braam, Bloei en verval). Zo ging de achttiende eeuw voorbij. Voor de Zaanstreek was de tweede helft van deze eeuw een periode van economische terugval. Maar in Zaandijk werd deze achteruitgang nog niet zo gevoeld.

Terwijl in de meeste andere Zaandorpen het aantal inwoners weer terugliep, bleef Zaandijk groeien, van 1291 inwoners in 1741, tot 1520 inwoners in 1793. Dat wijst er op dat er in Zaandijk ook in de tweede helft van de achttiende eeuw nog voldoende werk was te vinden. Dat klopt ook wel. Ten opzichte van de andere economische' sectoren in de Zaanstreek kwam de papiermakerij pas laat (omstreeks 1740) op een hoogtepunt. Ook de olieslagerij wist zich in het meer zuidelijke deel van de Zaanstreek (dankzij de gunstigere aanvoersmogelijkheden langer te handhaven dan in bijvoorbeeld Wormer en Jisp, waar deze sector ten onder ging. De economische terugval van de Zaanstreek stond niet op zichzelf, maar volgde de algemene achteruitgang van de Republiek.

De tweede helft van de achttiende eeuw was helemaal een tijd van veranderingen. Gaandeweg begonnen zich een maatschappelijk en een politiek bewustzijn te ontwikkelen. Met name de gegoede burgerij begon oog te krijgen voor de sociale onrechtvaardigheid. Dit uitte zich (om slechts een voorbeeld te noemen) in de oprichting van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in 1784 te Edam. Algemeen volksonderwijs was een van de doelen van de Maatschappij, die in de Zaanstreek al vroeg departementen kreeg. Ook de roep om meer invloed op het bestuur nam toe.
Reageer op dit artikel