De armenzorg werd vanuit het geloof georganiseerd. Arbeiders die wegens ziekte of werkloosheid geen inkomen meer hadden, oude mensen die nooit de gelegenheid hadden gehad om voor hun oude dag te sparen, moesten zich tot de kerk wenden voor steun.
Een rechte levenswandel en een goed nakomen van de kerkelijke verplichtingen van de aanvrager, waren in de' beslissing over het verzoek van invloed. Als er door de armenvoogden gunstig werd beschikt dan kregen de mensen steun in natura. Ze ontvingen turf voor ih de kachel, en bijvoorbeeld bonen om te eten. Ondersteuning in geld werd niet gegeven. Was dat ook weer omdat mensen zoveel van hun geld aan drank uitgaven?
De hiervoor genoemde aantekeningen uit het kerkboek over dronkenschap, te vroege bijslaap en kapot geslagen huisraad, kunnen de indruk wekken dat het in de achttiende eeuw in Achter de kerk een volstrekte chaos was. Maar die indruk zou ten onrechte zijn. Het hoge alcoholgebruik mocht dan zo af en toe tot excessen leiden, men mocht van door de kerk voorgeschreven (tijdgebonden) normen afwijken; over het algemeen hielden de mensen goed rekening met elkaar. De gemeenschapszin in Achter de kerk was (zoals ook op andere paden) groot.
Zonder twijfel zal het bewustzijn dat iedereen in de buurt tot dezelfde sociale laag behoorde tot de onderlinge solidariteit hebben bijgedragen; ze zaten nu eenmaal allemaal in hetzelfde schuitje. Het feit dat de overheid nog nauwelijks invloed had op het dagelijkse leven van de mensen, maakte die gemeenschapszin ook tot een noodzakelijkheid. Dat is logisch. Waar de zaken niet van bovenaf geregeld zijn, gaan de mensen zelf van onderaf hun samenleving organiseren. Zo ontstonden de burendiensten en de burenplicht. ,Het belang daarvan moet niet onderschat worden, zoals uit een citaat blijkt: 'De padgemeenschappen waren levensgemeenschappen. Het persoonlijke leven was bewust ingesteld op de hogere eenheid der buurtschap. Men was op elkaar aangewezen binnen een klein bestek. Voor alles moest de gemeenschap gedijen.' (A. van Braam, bloei en verval van het economisch-sociale leven aan de Zaan in de l7de en l8de eeuw).
De gemeenschapszin kwam naar voren op verschillende terreinen. Economisch bijvoorbeeld. Een buurman of buurvrouw die met een klusje zat dat hij/zij niet zelf kon oplossen, kon rekenen op de kosteloze hulp van een der buren. 'Bittarbeid' werd dergelijke hulp genoemd. Bij elke gedenkwaardige gelegenheid kwam de hele buurt opdraven. De mannen (het wordt nog maar eens herhaald) waren daarbij beperkt door hun lange werkdagen, maar de vrouwen roerden zich danig bij huwelijken en verjaardagen. Bij geboorte en dood strekte de rol van de buren nog verder. Bij geboorten hadden de buurvrouwen de taak de vroedvrouw te assisteren: Als de 'poppiesroeister' (zoals een vroedvrouw in de Zaanstreek werd genoemd) te laat was moesten de buurvrouwen het kind ook halen; volgens de berichten uit die tijd kwam dat niet zelden voor. Belangrijk ook was de taak van de buurvrouwen als een ongehuwde vouw moest bevallen. Zij mocht niet geholpen worden voor zij de naam van de vader bekende; hetgeen zij in hevige barensnood uiteindelijk altijd deed.