Koopmanszaken ontstonden, de dorpelingen namen deel aan de handels- en walvisvaart, er waren kleine schuitenmakerijen, timmerwerven, een (vroeg verdwenen) kalkbranderij, een stijfselmakerij, en natuurlijk de molens.
Aan het begin van de l8e eeuw waren er daarvan tenminste 32 in Zaandijk, waaronder acht oliemolens en twaalf papiermolens. Een levendige economie kan alleen bestaan als er goede verkeersmogelijkheden zijn. Uit het hiervoor vertelde verhaal over het Kerkepad blijkt al dat het landverkeer in de Zaanstreek in de zeventiende eeuw bijzonder weinig voorstelde. Ook van de Lagedijk (hiervoor genoemd als oude hoofdweg door het dorp) moet niet een te grote voorstelling worden gemaakt. De dijk was niet meer dan een smalle modderige waterkering. De status van de Lagedijk als verkeersweg was wel vastgelegd. Dat was gebeurd in 1622 toen een conflict was uitgebroken tussen Grietje Jans en het bestuur van de banne.
Grietje Jans meende dat zij het recht had om hoog en droog op het midden van de dijk (waar die over haar land liep!) haar huisje neer te zetten. Het Hof van Holland besloot dat dat toch niet kon. De dijk moest vrij blijven voor het verkeer. Maar zoals gezegd, dat verkeer stelde weinig voor, kan ook weinig voorstellen. Alleen voor de huizen was de Lagedijk verhard. In 1568 was al door het bestuur van de banne bepaald dat die verharding tenminste zes voet breed moest zijn, dat is nog geen twee meter! De héle dijk werd pas bestraat na 1806, en echt geschikt voor verkeer werd de Lagedijk pas in onze eeuw toen de dijksloot werd gedempt. Daar waren ze in Zaandijk laat mee; het deel van de sloot ten noorden van de Zaandijkersluis werd zelfs pas in 1934 dichtgegooid. Zo mag worden aangenomen dat van de Lagedijk, het Kerkepad en andere landwegen in vroeger eeuwen voornamelijk gebruik zal zijn gemaakt door voetgangers. En toch was er druk verkeer in de Zaanstreek. Dat ging echter niet over land, maar over water.
Toen het hoogveen in de Zaanstreek was ontgonnen, was voor de ontwatering een uitgebreid slotenpatroon gegraven. Toen de Zaanse economie in de zeventiende eeuw opbloeide beschikte het gebied hierdoor over een voortreffelijke infrastructuur, die vanzelfsprekend werd benut. De molens en andere bedrijfjes werden over het algemeen in het veld neergezet, aan een der vele sloten. De aan- en afvoer van hun produkten ging volledig over het water. Aanvankelijk was dat helemaal gemakkelijk. Aan het begin van de l7e eeuw was de Lagedijk nog slechts een waterkering, die op sommige plaatsen werd onderbroken door de sloten die uitkwamen op de Zaan. Bij hoog water werden schuiven in deze slootmonden naar beneden geschoven. Na het graven van de Nauernase Vaart in 1632 werd de polder Westzaan een afgesloten waterschap en de Lagedijk een polderdijk.