Daarnaast zullen bewoners van Achter de kerk werk hebben gevonden in de pelmolens, de verfmolens en de tabakstampers die Zaandijk rijk was.
De omstandigheden waaronder in de molens werd gewerkt, waren zeer ongunstig. Tering en verschillende long- en borstkwalen kwamen veelvuldig onder de arbeiders voor. Op de pel- en meelmolens stoof het, in de verf- en blauwselmolens werd met kwalijke stoffen gewerkt, in de houtzaagmolens (met name in de paltrokmolens) stonden de arbeiders de hele dag op de open trekking. Onder het personeel van de oliemolens was doofheid, ten gevolge van het onafgebroken heien, een veel voorkomende beroepskwaal. Het leven van een arbeider bestond vrijwel volledig uit werken; werkdagen van veertien, vijftien, zestien uur waren heel gewoon. En dat dan zes dagen per week. Alleen op zondag was het 'hailig' en stonden de molens stil. Althans, dat was de regel, maar niet altijd hield men zich aan dit gebod. Als nu gesproken gaat worden over het leven in de buurt, moet dit in het achterhoofd worden gehouden.
Achter de kerk zal in de achttiende eeuw voor een belangrijk deel een gemeenschap van vrouwen en kinderen zijn geweest. De mannen kwamen als zij door de week thuis waren aan weinig meer toe dan slapen. Op de vrije zondag was er weinig vertier voor hen. Ze konden naar de kerk. En verder? In thuis zitten zullen ze weinig trek hebben gehad. De houten arbeiderswoninkjes waren maar klein, en vaak tochtig en vochtig. In de meeste gevallen bestonden de huisjes maar uit één ruimte, waarin werd gegeten, geleefd en door de ouders ook nog eens werd geslapen. De kinderen sliepen over het algemeen op het zoldertje. Sommige huisjes hadden geen keukentje, en dan werd in de leefruimte ook nog gekookt. Thuis bleven de mensen als ze vrij hadden dus bij voorkeur niet. Maar waar ze heen moesten...
Behalve de kroeg hadden ze feitelijk geen mogelijkheden. En dat (de kroeg) was dus de plaats waar de mensen kwamen op de zondagen; en door de week, als er tijd overschoot. Alcoholisme nam zeer grote vormen aan in de Zaanstreek, juist ook onder de arbeiders. Adriaan Loosjes schreef in zijn 'Beschrijving van de Zaanlandsche dorpen in de achttiende eeuw over de 'buitensporigheid der schandvolle dronkenschap die zich hier soms vertoont'. De vrije tijd van de Zaanse arbeiders werd vrijwel beheerst door drank, was het al niet in de kroeg, dan was het wel bij gelegenheden als bruiloften of geboorten. Zelfs tijdens het werk werd er gedronken. Bijvoorbeeld in de bouw bestond 'het bestvat' dat werd uitgedeeld bij voltooiing van een bouwwerk. En zo kende elk vak zijn aanleidingen om het op een zuipen te zetten.
Soms was trouwens de schaftpauze al voldoende rechtvaardiging voor een borrel. Het hoge alcoholgebruik zal zeker geen gunstige invloed op het zedelijk peil van de mensen hebben gehad. Het was de (zelfopgelegde) taak van de kerk om over de goed te waken. Daarbij had zij niet altijd succes. De hele achttiende eeuw door werden in het kerkboek van de kerkeraad van Zaandijk aantekeningen gemaakt over broeders en zusters die niet aan het heilig avondmaal mochten verschijnen wegens herhaaldelijke dronkenschap. Een enkele keer was zo'n aantekening wat uitgebreider, dan had een dronkeman in hevige woede zijn eigen huisraad aan puin geslagen. Mensen die op 'te vroege bijslaap' waren betrapt, of zusters die reeds enige maanden na hun huwelijk in het kraambed waren beland, moesten ernstig aangesproken worden, volgens de verslagen van de kerkeraad. Met zo'n bestraffing van de kerk zullen de mensen over het algemeen niet blij zijn geweest. Dat ze niet aan het avondmaal mochten verschijnen, of dat ze een standje kregen, zal ze waarschijnlijk niet zoveel gedaan hebben. Maar je wist maar nooit, je kon de kerk in de toekomst nog wel eens nodig hebben.