Nieuwe Vaart

Op 23 mei 1709 tekenden de Zaandijkers een overeenkomst waarin werd afgesproken de Nieuwe Vaart te graven, die moest lopen van de Sluissloot tot aan de Zuiderkerksloot.


Later zou de Nieuwe Vaart worden doorgetrokken naar de Guispadsloot. De Vaart moest volgens de overeenkomst 34 voeten breed worden (ruim tien meter). De landerijen waardoor de Nieuwe Vaart moest lopen waren reeds door de initiatiefnemers aangekocht. De kosten van het werk werden vooraf begroot op drieduizend gulden; de contractanten stortten dit bedrag in een daarvoor opgericht fonds. Na afloop bleken de werkelijke kosten ruim 4900 gulden te bedragen; het verschil werd door de deelnemers bijgestort. Het economisch belang dat de Vaart had voor de industrieën in het veld, wordt aangetoond door de vergoeding die moleneigenaren nog vele jaren later betaalden voor het gebruik van water. De landerijen waardoor de Nieuwe Vaart kwam te lopen waren dus aangekocht door de ondernemers.

Zij hielden enige grotere stukken land voor zichzelf en de rest verdeelden zij in 45 kavels van 26 vierkante roede, of iets kleiner; dat komt neer op ongeveer honderd vierkante meter. De kopers van de kavels moesten jaarlijks een contributie gaan betalen van elf stuivers, als bijdrage voor het onderhoud van gemeenschappelijke bruggen, hekken en bestrating. De erven werden blijkbaar vlot bebouwd. Niet veel later tenminste (op 8 feburari 1710) werd het 'Regelement van de Erven op de Nieuwe Vaart after de Kerk tot Zaandijk' opgesteld. In acht artikelen werden in dit reglement voor de bewoners van de buurt regels vastgelegd met betrekking tot onder andere het recht van overpad, het onderhoud van bruggen uit de contributiegelden, de hoogte van de contributies, en dergelijke. Ook in het reglement werd bepaald dat uit de geinteresseerden twee 'overluyden' zouden worden gekozen, die belast waren met het toezicht op de uitvoering van de reglementen.

De grenzen van het gebied Achter de Kerk werden eveneens in het reglement benoemd. In het zuiden was dat de Zuiderkerksloot, in het noorden de Hazepadsloot (dit is de sloot ten zuiden van het Hazepad). De buurt lag aan weerszijden van de Nieuwe Vaart en was dus aanvankelijk groter dan tegenwoordig. Onder deze reglementen bewoonden de mensen Achter de Kerk tot 1793, toen vond een herziening plaats. Feiten zijn aardig en regels zijn mooi, maar werkelijk interessant zijn vooral de mensen, in dit geval de bewoners van Achter de Kerk. Wie waren zij, hoe leefden zij? De antwoorden op dergelijke vragen zijn moeilijk te vinden. Er zijn talrijke boeken volgeschreven over de geschiedenis van de Zaanstreek. Honderden bladzijden bijvoorbeeld over de bezoeken van Czaar Peter, of over de opkomst en de omvang van economische sectoren en hun onderlinge samenhang. En zelfs is er wel het een en ander op papier gezet over de leefomstandigheden van de mensen.

Maar dat betrof dan vooral de rijken. In het leven van arbeidersgezinnen in een achterafbuurt als Achter de kerk heeft nooit veel belangstelling bestaan; dat is pas van de laatste tijd. In de bronnen is er dus weinig over te vinden. Maar links en rechts sprokkelend (en soms half-radend) komen we toch tot iets; een poging. Toen Zaandijk nog klein was woonden rijk en arm, voor zover daar al sprake van was, door elkaar op de Lagedijk. Met de groei van de welvaart en van het dorp, kwam de scheiding. De welgestelden bleven op de dijk wonen, waar de imposante koopmanshuizen werden gebouwd. Binnendijks, op de koppen van de akkers, en aan het begin van de paden vestigden zich de kleine luiden, de winkeliers en de ambachtslieden. Aan het eind van de paden en Achter de kerk woonden dan de arbeiders van de industrieën en de landwerkers met hun gezinnen. Hiervoor werd al geschreven dat de snelheid van ontwikkelingen in vroeger eeuwen verbazing kan opwekken. Daar komen we nu op terug: in 1570 was er een klein gehucht, waar de mensen (zoals Honig schreef) 'haast communistisch' samenwoonden. Zo'n honderdveertig jaar later was er in Zaandijk een echte arbeidersbuurt.
Reageer op dit artikel