Het gevolg was dat een aantal serieuze gegadigden afhaakte. Samen bouwen, een vrijstaat, sloophout; het waren mooie idealen, gedwongen door de praktijk moest men ze evenwel gaandeweg laten varen.
Maar er zijn toch nog wel sporen van terug te vinden, zoals bijvoorbeeld het gemeenschappelijk bezit van kruiwagens en ladders. Overigens, weliswaar niet zo intensief als oorspronkelijk de bedoeling was, maar ten dele zijn de huisjes toch gezamenlijk gebouwd. Als er pannen op een dak gelegd moesten worden, kwam traditioneel de hele buurt opdraven om te helpen, en heel wat buren hebben bij elkaar binnen getimmerd en geschilderd.
De jaarlijkse buurtfeesten (er waren onder andere een snert-middag en een capucijneravond, met een heus buurtcabaret) en de luilakswaken herinneren ook nog aan het oude ideaal van het dorp in het dorp. Het jaren-zeven tig-idealisme beinvloedde ook de ideeen over de eigen organisatie. De meerderheid van de allereerst betrokkenen wilde beslist geen stichting worden. Ze waren tegen instituten! De stichting is er echter toch gekomen. Ron Sman, die al vanaf het begin bij de plannen van redding van de Domineestuin was betrokken, drukte dat door.
Hij hamerde er doorlopend op dat voor een stichting de contacten met de gemeente en met andere overheids-instanties zoveel makkelijker zouden zijn. Bovendien zou een stichting veel beter de gelegenheid hebben mensen met know-how bij het project te betrekken. Zijn argumenten sneden hout. Op 15 mei 1979 werd de werkgroep in een stichting omgezet. Ook in de statuten van de stichting zijn weer sporen van het idealisme van de initiatiefnemers terug te vinden. Het bewonen van het buurtje moet volgens de statuten bereikbaar zijn voor mensen met een kleine beurs.