Het idealisme van de betrokkenen van het eerste uur wierp ook moeilijkheden op. Soms hadden ze moeite zich tot hun doel te bepalen.
Ze raakten bijvoorbeeld betrokken bij 'Bewoon Mij', een groep die zich inzette voor het behoud van houten arbeiderswoninkjes door de hele Zaanstreek heen. Inplaats van zich met de Domineestuin bezig te houden, werkten de Zaandijkers nu aan de inventarisatie van deze woningen. Ook heel nuttig, daar niet van, maar het leidde wel af. Van de inventarisatie werd tenslotte een nota samengesteld, die werd overhandigd aan Zaanstad's wethouder Pans.
Daarna werd besoten dat het waarschijnlijk toch het verstandigst was, zich weer zuiver met de Domineestuin bezig te gaan houden. Daar was het werk zo'n beetje stil komen te liggen. Ja, de tuin. Wat ze daarmee moesten? Goed, er waren twee woningen gekraakt en de buurt moest gered worden. Maar hoe? En hoe verder? Lange tijd hadden ze het idee een soort 'vrijstaat' in de buurt te stichten. Ze wilden het oude van Achter de kerk opnieuw in het leven roepen: een dorp in een dorp, een leefgemeenschap met eigen regels, eigen normen. Dat ideaal uitte zich op verschillende manieren. In de eerste ideeen over de wederopbouw van het buurtje was het terug te vinden. Het was niet de bedoeling dat ieder zijn (haar) eigen huisje zou maken. Nee, dat moest door de groep (een belangrijk woord in die dagen) worden gedaan.
Collectief, was de bedoeling, zouden ze pandje voor pandje opbouwen. En daarbij mochten dan geen nieuwe materialen worden gebruikt. Sloophout was veel goedkoper en bovendien hoefden daar geen bomen voor te worden omgehakt. Het idee van een commune, van samen bouwen en samen leven, maakte dat er aan de toekomstige bewoners van de buurt hoge eisen werden gesteld. Toen de eerste gegadig- den voor de nieuwe huisjes zich meldden werd er geballoteerd. De mensen werden uitgenodigd voor een gesprek, en daarin werd ze goed duidelijk gemaakt: 'Wees je bewust dat je in een gemeenschap komt; je moet ergens aan voldoen als je hier wilt komen wonen'.