Woestgebied

Zo kort geleden nog maar was de Zaanstreek een dunbevolkt en woest gebied. Jong land, gevormd uit de zee en door diezelfde zee bedreigd.


De eerste Zaankanters hadden hun woonplaatsen daarom landinwaarts gevestigd, waar de grond hoger was en het water verder weg. De dorpen Oostzaan en - voor Zaandijk van belang Westzaan waren zo ontstaan. De mensen probeerden zo goed en zo kwaad als dat ging de natuur naar hun hand te zetten.

Het ruige hoogveen werd ontgonnen en geschikt gemaakt voor akkerbouw. De stem van het water met zijn eeuwige rampen werd gevreesd en gehoord, maar dankzij de hoge zeedijken, de dammen in de Zaan en de lage dijken langs het afgedamde binnenwater, konden de Zaankanters aan het eind van de vijftiende eeuw zich toch redelijk beschermd voelen. Rijk zullen ze het niet gehad hebben. Ontgonnen land klonk in en werd te vochtig voor akkerbouw. Sommige mensen trokken weg, naar Amsterdam, dat zich als handelsstad ontwikkelde.

Maar anderen bleven. ontgonnen nieuw land, hielden vee op de lage weiden, jaagden op vis en waterwild, hielden zich bescheiden met enige nijverheid bezig. en hoopten maar dat de dijken het zouden houden. Het onderhoud van die dijken was nog geen taak van de overheid, maar een plicht van de mensen wier land aan de dijk grensde. Voor het deel van de Lagedijk waaraan later het dorp Zaandijk zou ontstaan, waren dat de bewoners van de Middel van Westzaan. Daar woonde aan het eind van de vijftiende eeuw een jong echtpaar: Heyndrick Pieterszoon en Katryn. Heyndrick Pieterszoon is vooral bekend gebleven als Oudt-Heyn. Op 17 september 1494 controleerden de schout en schepenen van de banne van Westzaan en Krommenie (zoals hun regelmatig uit te voeren taak was) of de mensen zich naar behoren hadden gekweten van hun plicht tot dijkonderhoud. Dijkschouw, heette een dergelijke inspectie.

Op het stuk Lagedijk van de Middelbewoners stonden die dag Oudt-Heyn en de zijnen de schout en de schepenen op te wachten, met het verzoek of zij zich op de dijk mochten vestigen. Zij hadden natuurlijk een reden om dat te vragen: dicht bij de Zaan was in het verleden het land het meest overstroomd; daar was dus ook het meeste vruchtbare slib afgezet. De beslissing over het verzoek van OudtHeyn was evenwel van principiele aard. Bebouwing van de dijk zou de waterkering kunnen verzwakken en dus de kans op een doorbraak verhogen.
Reageer op dit artikel