Jan de Vries

Stinkende winden

Wind is een levensbehoefte voor molens en zeilschepen. Molenaars en schippers hadden altijd met weer en wind te maken zodat het geen wonder was dat ze ‘an de lucht wel konne zien weffer weer het iwer’. Draait de wind met de zon mee dan geeft dat opklaringen en meestal goed weer. Gaat de wind tegen de zonloop in, dan krimpt ze en dan krijgen we meestal regen. Men zei dan ook vaak: ‘Krimpende winden, stinkende winden‘. Een molenaar rijmde op het weer eens een dichtwerk, dat mischien nog te vinden is in de molen ’t Prinsenhof te Westzaan.

Uitgeleend
Op deze molen, die met de ‘Korenbloem’ en de ‘Walvis’ te Zaandam ongeveer 1865 het eigendom was van de heer Dekker, werkte eens een man, die werd uitgeleend aan de ‘Walvis’. Hij trof daar een meesterknecht, die zeer op deze molen gesteld was. Toen de hulp weer vertrokken was, lazen de pellers van de ’Walvis‘ de volgende dichterlijke ontboezeming: ‘

Gij kunt deze molen op Uw handen dragen,
en spreken van hem niets dan lof,
Ik kan U in die roem niet schragen,
want heilig is het ’Prinsenhof‘.

Sterke verhalen
Maar we hadden het over weer en wind. In een streek waar men de wind enige eeuwenlang zo van node had, was het dus geen wonder, dat er nogal eens naar de lucht ‘gekeke wier’. Toch heeft die soms onberekenenbare wind wel eens molenaars en schippers als het ware overvallen. Sterke verhalen konden daarover worden verteld, die van mond tot mond gingen, van de ene generatie tot de andere. Een van die verhalen luidde: Een pelmolen in het Oostzijderveld werd door een stormvlaag overvallen. Niet alleen werd het kruis verspeeld maar ook de kop van de as brak schuin af. Door deze schuin afgebroken as maalde de molen nog vele uren door. Van een ‚andere molen verhaalde men, dat tijdens een storm de ’worvel‘ van het ‘holsie‘ begon te draaien en niet zo effies, want het werveltje maalde tenslotte vuur, waardoor de gehele ’beste kamer‘ in vlammen opging.

Uit de Zaan
Wat zou u denken van het verhaal over een orkaan die zo hevig was dat de molenstenen uit de Zaan waaiden. Ter verduidelijking moet gezegd worden dat de afgedankte molenstenen en ook die van de gesloopte molens nogal eens in de Zaan gedeponeerd werden. Volgens de vertellers overviel een storm eens een molen die op ’blote biene‘ liep (zonder zeilen voor) en met ‘gehuwd nagels‘ (een aantal borden afgeslagen). Hij maalde met neergelegde vang ’as ’n zonnetje‘ door en de achtkant heide steil achterover. Na de storm ging alles weer zijn gewone gang. ‘Dat mot een suffesante sterke mole eweest hewwe’, zal na zo‘n verhaal droog opgemerkt zijn.

Draaimolen
Een verhaal dat wel in houtzagerskringen ontstaan zal zijn ging over een paltrok, die ’in top‘ (met volle zeilen) maalde. Plotseling stak een zeer harde wind op die ook zeer snel omliep. De ’keertouwen‘ braken af en de molen draaide met de wind mee op zijn rolring. Men werkte evenwel gewoon door, want men dacht dat de wind wel gauw bedaren zou. Toen het weer beter werd, zeiden de houtzagers tot elkaar, ’Nou hewwe in de draaimolen ezete, zonder dat ‘t ons een cent ekost het‘. Het was bepaald wel een stoer “geslacht, die oude molenaars, ze waren niet gauw uit hun evenwicht te brengen. Het was bij voorbeeld bekend dat de papiermolen de ’Bok‘ te Wormerveer met harde wind als regel het langst doormaalde. De molenaar van de ‘Schoolmeester’ wilde zijn collega eens overtroeven. Hij wachtte net zo lang totdat de ‘Bok’ gevangen werd en toen pas legde hij ook de vang neer, wat zonder brokken nog lukte ook.  ‘Ziezo‚ nou wazze wai de letste ers‘, was zijn bescheid.