Oud Rooswijck

Rooswijker Henk Groot in Nederlands elftal

Hendrik (Henk) Groot van 29 juni 1938, debuteert op 23 augustus 1959, tijdens de competitie wedstrijd tegen NAC in het eerste van Ajax. Henk heeft jaren in Rooswijk gewoond.

Er zouden nog 304 duels volgen in de hoofdmacht van de ‘Amsterdamsche Football Club’. Hij scoorde in totaal het ongekende aantal van 208 doelpunten en werd mede daardooréén van de dragende spelers van het Ajax dat midden- en eind jaren zestig voor het eerst van zich deed spreken in Europa. Op 7 september 1969 kreeg de carrière van de blonde Zaankanter een definitief en negatief einde. In het shirt van het Nederlandse elftal kreeg hij tijdens het WK kwalificatie duel in en tegen Polen voor de ogen van 100.000 toeschouwers in Chorzow, een doodschop tegen zijn knie.

Pas een aantal weken later bleek dat ongeveer alles in de knie kapot was en werd hij afgekeurd voor het spelen van betaald voetbal. Zodoende speelde hij op 26 oktober 1969 zijn laatste duel voor Ajax. Het Utrechtse DOS was toen de tegenstander. Ondanks dat hij tussen 1963 en 1965 twee seizoenen voor de grote aartsrivaal Feijenoord uitkwam, blijft iedereen Henk Groot toch als een echte Ajacied zien. ‘De Goeie Ouwe Tijd.nl’ zocht hem op en blikte met de man die nog altijd het record van de meest gescoorde doelpunten voor Ajax inéén seizoen (41) op zijn naam heeft staan, terug op zijn voetballoopbaan.

Zaandijk
“Ik ben net als mijn broer Cees mijn carrière begonnen bij vv Zaandijk. Als klein jochie trap je natuurlijk alleen maar bij je huis of in je straat tegen een balletje maar zodra het kon werd ik lid van vv Zaandijk. Ik melde me aan toen ik negen jaar was, officieel moest je 10 zijn maar omdat ik zo graag wilde voetballen loog ik over mijn leeftijd. Toen ik een jaar of zeventien was kwam ik bij het eerste terecht. Dat speelde toen in de tweede klasse amateurs.

Scoren deden mijn broer en ik veel in het eerste van Zaandijk. Dat bleef niet onopgemerkt en zo kwam de toenmalige Eerste Divisie club Stormvogels om de hoek kijken. Mijn broer Cees was inmiddels al vertrokken bij Zaandijk, hij speelde ook in de Eerste Divisie, bij Heerenveen. Maar vanwege heimwee wilde hij snel weer terug naar Noord-Holland. Toen Stormvogels mij wilde hebben heb ik dan ook meteen Cees bij die deal betrokken. Zodoende speelden we naéén seizoen ‘scheiding’ weer samen en werd ik semi-prof. In totaal hebben we 3 seizoenen bij Stormvogels gespeeld. Cees speelde in de spits en ik daar vlak achter als tweede spits of zoals ze tegenwoordig vaker zeggen, aanvallende middenvelder. Cees en ik voelden elkaar goed aan en we scoorden dan ook aan de lopende band. Toen Ajax informeerde bij Stormvogels of ze mij konden overnemen moesten ze van de clubleiding Cees er ook bij nemen. In Velzen hadden ze geen zin om maar metéén Groot opgescheept te zitten. Zo begonnen Cees en ik in de zomer van 1959 bij Ajax.

Debuut
In het begin werden we in Amsterdam wel effe ‘uitgetest’ met name gasten als Co Prins hielden van een dolletje. De selectie bestond toen uit allemaal Amsterdammers en ook al woonden wij op 20 kilometer van De Meer, toch werden we als ‘buitenlanders’ gezien. Ik maakte al in de eerste competitiewedstrijd van dat seizoen mijn debuut tegen NAC en scoorde meteen 3 keer en daarmee had ik iedereen binnen de club voor mij gewonnen, vanaf die wedstrijd ben ik eigenlijk niet meer uit de basis geweest.
Aan het einde van mijn eerste seizoen eindigde we in de competitie gelijk met Feijenoord en moest er in een onderling duel worden uitgemaakt wie er kampioen van Nederland zou worden. De wedstrijd zou worden gespeeld in het Olympisch stadion in Amsterdam. Drie weken daar voor had Feijenoord in De Kuip vrij gemakkelijk van ons gewonnen. Ze dachten ze ons weer zo makkelijk zouden verslaan in dat beslissingsduel en vonden het in hun arrogantie prima dat die wedstrijd in het Olympisch stadion zou worden gespeeld. Cees en ik speelden allebei vanaf het begin. Helaas moest Cees in de rust uitvallen met een blessure, hij werd vervangen door Wim Bleijenberg en die scoorde maar liefst 3 keer. Ik scoorde zelféén keer en Sjakie Swart scoorde ook nog een goal. Zodoende wonnen wij na een 0-1 ruststand alsnog met 5-1 en waren kampioen van Nederland. De stemming was geweldig na het laatste fluitsignaal, het publiek overspoelde het veld en alle spelers gingen bij de supporters op de schouders.

De mannen waar je in dat elftal tegen opkeek waren Ger van Mourik, Bobby Haarms en Wim Andriessen jr.. Met Bobby heb ik trouwens nooit meer samengespeeld omdat hij toen al die knieblessure had waardoor hij nooit meer op het hoogste niveau kon voetballen. Op zich waren het lange dagen die ik in het begin maakte bij Ajax. Ik woonde nog in de Zaanstreek en werkte overdag bij een kantoor op de Dam in Amsterdam, vlakbij hotel Krasnapolsky. Die baan had ik aan Ajax te danken. Ger van Mourik werkte daar bijvoorbeeld ook. Dus iedere dag ging ik op de fiets vanuit huis naar de Dam en vanaf 17:00 uur op de fiets naar De Meer voor de training en daarna weer terug. Vaak was ik pas rond 22:00 uur thuis.

Maar goed dat kampioenschap in mijn eerste seizoen was natuurlijk schitterend om mee te maken. Dus we gingen ook Europacup I spelen. Althans dat dachten wij maar de KNVB besliste anders. We moesten in een onderlinge competitie met Feijenoord en PSV uitmaken wie van de drie zou mogen deelnemen aan het Europacuptoernooi, belachelijk natuurlijk. Feijenoord won die competitie met overmacht maar voor de UEFA maakte dat niets uit want wij werden gewoon ingeschreven voor het toernooi der landskampioenen en terecht.

Noorwegen
De eerste ronde moesten we tegen de kampioen van Noorwegen, Frederikstad. Op zich mocht dat geen probleem zijn maar we verloren daar met 4-3. Ik was erg pissig op een aantal spelers die de avond voor de wedstrijd vrolijk waren gaan stappen. Een dergelijke onprofessionele houding stuitte me zwaar tegen de borst. Zelfs na de nederlaag toonde die spelers geen berouw; “Ach Henk, in Amsterdam winnen we dik van die gasten dus niet zo zeuren”, werd er dan tegen mij gezegd. Maar een aantal dagen voor die wedstrijd in het Olympisch stadion overleed mijn moeder. Cees en ik speelden vanwege die dramatische gebeurtenis niet mee. Het werd 0-0 en Ajax was uitgeschakeld. Die wedstrijd in Noorwegen zou voorlopig mijn laatste Europacupwedstrijd zijn. Dat seizoen (1960/61, red.) werden we geen kampioen, Feijenoord had toen een beter elftal. Wel scoorde ik in totaal 41 goals voor Ajax, een aantal dat tot nu toe niemand meer heeft gehaald.

Ook in het buitenland was dit niet aan de aandacht van de mensen ontsnapt en zodoende wilde het Italiaanse Vicenza mij graag hebben. Ik wist dat mijn transfersom 200.000 gulden moest zijn, dit had ik dan ook aan die Italianen gemeld. Zij vonden dat geen probleem. Ik kon voor dat bedrag komen en zou meteen 150.000 gulden tekengeld krijgen en per jaar 100.000 gulden gaan verdienen. Dat was dus ruim 20 x zoveel als dat ik bij Ajax verdiende. Maar toen het Ajax bestuur lucht kreeg van de belangstelling van Vicenza en de bedragen die ik daar zou gaan verdienen, schroefden ze het transferbedrag omhoog naar 300.000 gulden en dat vonden die Italianen te veel en haakte af. Je kan wel snappen dat ik daar behoorlijk de pee over in had.

Op zich hoefde ik helemaal niet weg uit Nederland, sterker nog ik bleef het liefst bij Ajax. Mijn vrouw en ik woonden toen net een paar maanden in Amsterdam en onze eerste dochter was net geboren dus we zaten niet te wachten op een verhuizing naar het buitenland. Aan de andere kant was het vooruitzicht om inéén jaar tijd 250.000 gulden te verdienen natuurlijk niet onprettig. Dus gaf ik bij Ajax voorzitter Jan Melchers aan dat ik graag bij Ajax wilde blijven maar dat ik dan wel verwachtte dat zij me meer zouden gaan betalen aangezien ik nu een lucratieve transfer was misgelopen. Maar daar kon volgens Melchers geen sprake van zijn. Wel kreeg ik als ‘goedmakertje’ een sigarenzaak in mijn maag gesplitst. Daar was ik helemaal niet blij mee, ik had helemaal geen zin in een sigarenzaak. Op een gegeven moment liep het conflict zo hoog op dat ik mezelf op de transferlijst liet plaatsen, dat moest je in die tijd als speler nog zelf doen. Nou, daar waren de heren van het bestuur op hun beurt niet over te spreken en ik werd in de voorbereiding zelfs vooréén wedstrijd disciplinair geschorst. Samen met Sjakie Swart, want hij had een zelfde soort conflict met het bestuur. Op een gegeven moment heb ik het toch weer achter me gelaten want ik wilde ook gewoon voetballen.

Naar Feijenoord
Het seizoen dat volgde (1961/62, red.), mijn derde bij Ajax, werden we weer geen kampioen maar we wonnen wel de Intertotocup door in de finale Feijenoord te verslaan met 4-2. Dat iséén van mijn beste wedstrijden ooit geweest, ik speelde die avond in een uitverkocht Olympisch stadion, echt super, scoorde 2 keer, mijn broer nam de andere twee treffers voor zijn rekening. Met die wedstrijd heb ik toen ook de interesse van Feijenoord gewekt. Die zomer informeerde de manager Guus Brox al bij mij of ik interesse had in een overgang naar Rotterdam. Ik verwees hem door naar het Ajax bestuur maar die begonnen meteen weer bizar hoge transferbedragen te vragen. Die zomer heb ik me daar niet druk over gemaakt. Maar gedurende het seizoen 1962/63 werd de sfeer binnen de spelersgroep er niet beter op, mede doordat meer spelers zich ‘unfair’ behandeld voelde door het bestuur. Ook de resultaten werden er niet beter op. Toen in de zomer van 1963 Feijenoord zich weer bij mij meldde en bleek dat ze nu wel het geld wat Ajax voor mijn vroeg (250.000 gulden, red.) wilde betalen was ik er met Brox en voorzitter Kieboom vrij snel uit. Feijenoord wilde mij toch behoorlijk meer betalen dan dat ik op dat moment bij Ajax verdiende, dus zou ik wel gek zijn geweest om daar niet op in te gaan, zeker ook met het conflict met het bestuur van twee jaar daarvoor en de verslechterende sfeer binnen Ajax in mijn achterhoofd.

Voorzitter Jan Melchers nam het eerst niet serieus en nodigde mij nog uit in zijn hotel in Zandvoort om me over te halen bij Ajax te blijven. We zaten daar op zijn mooie dakterras van dat hotel en Melchers benadrukte hoe ‘goed’ ik het wel niet had bij Ajax en dat geld ook niet gelukkig maakte. Nou, dat kon hij mooi zeggen daar in zijn hotel, drinkend van een drankje wat hijzelf importeerde en op de Nederlandse markt had gebracht. Maar ik heb hem toen duidelijk gezegd dat ik mijn woord aan Feijenoord had gegeven dat ik een man van mijn woord ben. Daarmee, dacht ik dat de kous af was en niets meer de overgang van mij naar Feijenoord in de weg kon staan. Maar ik was toch wel verrast dat een paar dagen later plots een ‘delegatie’ van drie mannen namens Ajax op mijn stoep stond. Maup Caransa, de vastgoedmagnaat, was een van die mannen, het moest echt geheim blijven, niemand mocht weten dat zij bij mij waren geweest maar het kwam er op neer dat ik bij Ajax toch uiteindelijk hetzelfde als bij Feijenoord kon gaan verdienen. Ik vertelde de heren dat ze te laat waren want ik had zoals gezegd mijn woord gegeven en dat kon en wilde ik niet verbreken. Inmiddels was de zomervakantie aangebroken en ik ging met m’n vrouw op vakantie naar Maastricht. Nog steeds was de transfer niet rond. Totdat ik plotseling werd aangesproken op straat en ik van de mensen hoorden dat Ajax en Feijenoord er uit waren gekomen, dat hadden zij via de pers vernomen. En toen was ik dus officieel Feijenoorder.

Rinus Michels
Met Ajax ging het in de twee seizoenen daarna steeds minder. De ommekeer kwam toen Jaap van Praag voorzitter werd en hij Rinus Michels als trainer aanstelde. Vervolgens heeft hij eerst Klaas Nuninga van GVAV gehaald en daarna is hij naar Rotterdam gegaan om te proberen of hij mij weer naar Amsterdam kon halen. Maar nu waren ik en m’n vrouw net weer gewend in Hendrik Ido Ambacht, waar ik tijdens mijn Feijenoord-tijd woonde, dus ik hoefde dit keer niet zo nodig weg. Maar goed ondanks dat Feijenoord weer een transferbedrag vroeg dat niet in verhouding was met mijn salaris (in die tijd was in Nederland de transfersom gebaseerd op 10 x het jaarinkomen van een voetballer. De speler had vervolgens wel recht op een percentage van die transfersom, red.), ze vroegen namelijk 100.000 gulden te veel. Maar toen Jaap van Praag die transfersom van 350.000 gulden hoorde zij hij; “Nou, doe er dan maar een strik om, dan neem ik hem mee”. Zodoende was ik in de zomer van 1965 weer Ajacied. Mijn broer Cees was het seizoen daarvoor teruggekeerd naar onze geboortegrond om te gaan spelen voor FC Zaanstreek.

Trainer Rinus Michels vertelde me dat ik voor routine moest zorgen in een ploeg met jonge gastjes zoals Johan Cruijff, Wim Suurbier en Barry Hulshoff. Mede omdat Klaas Nuninga de positie achter de spitsen innam werd ik nu opgesteld als rechtermiddenvelder en dat ging eigenlijk meteen goed. Ik scoorde uiteraard minder dan toen ik achter de spits speelde. Maar omdat ik de vaste penaltynemer werd, pikte ik toch wel gemiddeld zo’n 10 tot 15 goals per seizoen mee. De strafschop werd echt een specialisme van mij net zoals het ‘koppen’ dat al was. Ik heb geloof ik maar twee strafschoppen heb gemist in mijn carrière.

Liverpool
Het eerste volledige seizoen onder Michels was het meteen raak, we werden kampioen. Zodoende kon Ajax weer eens zijn opwachting gaan maken in het Europacuptoernooi. In de tweede ronde kwam Liverpool uit de koker. Dat werd dus de legendarische mistwedstrijd. Voor die wedstrijd waren we op trainingskamp geweest in Zeist en omdat Ajax toen nog geen spelersbus had moesten we met ‘eigen’ vervoer van Zeist naar het Olympisch stadion rijden. Ik zou samen met 3 andere jongen meerijden met Sjakie Swart. Maar de Citroën van Sjakie wilde niet starten. Toen de andere spelers al bijkans in Amsterdam waren stonden wij die auto nog aan te duwen, uiteindelijk kregen we hem toch aan de praat en arriveerden we ongeveer een uur voor aftrap in het Olympisch stadion. Dat soort verhalen kan je je nu niet meer voorstellen. Ik geloof ook dat na dat incident er altijd wel een bus was om ons gezamenlijk te vervoeren.

Die 5-1 overwinning op Liverpool in Amsterdam was natuurlijk geweldig maar eigenlijk heeft de wedstrijd op Anfield Road meer indruk op me gemaakt. Ik was echt onder de indruk van die volle ‘Kop’ tribune, zeker als daar massaal het ‘You’ll never walk alone” werd gezongen, dat was kippenvel. Verder herinner ik me een behoorlijk harde wedstrijd in een hoog tempo waarbij de Liverpool spelers alles probeerden om ons het spelen onmogelijk te maken. Ik kreeg nog een verschrikkelijke doodschop van Tommy Smith. Hij was het seizoen daarvoor uitgeroepen tot de meest harde speler in de Engelse competitie, nou toen wist ik ook waarom. We speelden daar 2-2, een zeer goed resultaat en natuurlijk de kampioen van Engeland uitgeschakeld in de Europacup en dat was in 1966 echt een sensatie.

Rob Groot
Bijna had er nog een derde Groot bij Ajax gespeeld. Mijn jongere broer Rob, speelde betaald voetbal, bij Telstar. En Michels was wel gecharmeerd van hem, hij vroeg ook aan mij of Rob een aanwinst voor Ajax zou zijn, ik was positief en dus stond niets een overgang van mijn broer naar Ajax in de weg. Uiteindelijk moest assistent trainer Cor Brom beslissen en zijn advies viel negatief uit voor mijn broertje. Ik heb me nooit aan het idee kunnen ontrekken dat er bij Brom enige rancune heeft meegespeeld omdat hij zijn plek in het elftal van Stormvogels ooit was kwijtgeraakt aan mijn andere broer Cees.

Tijdens het seizoen van de overwinning op Liverpool en de seizoenen daarop zag je Ajax per wedstrijd beter worden. Wat dat betreft vind ik dat eigenlijk een nog mooiere periode dan de succesjaren 1971-1973. Omdat je toen meemaakt dat Ajax van een Nederlandse topclub aan het groeien was naar een Europese topclub, eigenlijk van amateurisme naar echte professionaliteit. En ik zeg dat niet omdat ik zelf die ‘oogstjaren’ als speler niet meer actief mee heb mogen maken maar omdat ik vind dat die periode altijd een beetje wordt onderbelicht terwijl daar het fundament werd gelegd voor de jaren die zouden volgen.Het seizoen 1967/68 was bijzonder omdat we toen heel veel scoorden. In vierendertig wedstrijden hebben we toen 122 doelpunten gemaakt, een gemiddelde van bijna vier per wedstrijd. Sommige wedstrijden liep het ook zo goed dat het leek alsof het als vanzelf ging en we met een soort magneet in de schoenen de bal in de ploeg konden houden. Alleen Europees moesten we nog wat meer ervaring opdoen, harder worden, daar speelden we nog te wisselvallig.

Europacup
In het seizoen 1968/69 kwam dan toch ook de echte Europese doorbraak. Aan die Europacupwedstrijden bewaar ik zeer goede herinneringen. Zoals het vrij gemakkelijk opzij zetten van de West-Duitse kampioen Neurenberg, de gigantische modder en raadselachtige beslissingen van Turkse officials en de scheidsrechter in Istanbul tegen Fenerbaha§e. In de thuiswedstrijd miste ik trouwens nog een strafschop. Ook onvergetelijk zijn de drie wedstrijden tegen Benfica in de kwartfinale. Die gasten van Benfica die na hun doelpunten, feestvierden in de sneeuw van het Olympisch stadion. Lissabon, waar we een van de beste wedstrijden ooit hebben gespeeld en natuurlijk de spanning en al die Nederlanders in het stadion in Parijs tijdens de beslissingswedstrijd. Maar toch ook de teleurstelling van de verloren finale. In die finale bleek dat we het vooral fysiek en mentaal het nog niet konden opbrengen om een heel seizoen scherp te zijn, zowel in de competitie als in de Europacup. Uiteindelijk stonden we met lege handen. Feijenoord won de dubbel en we verloren de Europacupfinale van AC Milan. Maar dat is wel het laatste zetje geweest wat nodig was om twee jaar later die finale te kunnen winnen.

Mijn eerste selectie voor het Nederlands elftal kwam al heel snel toen ik bij Ajax speelde. De eerste interland waarin ik speelde was in het voorjaar van 1960 in het Olympisch Stadion tegen Bulgarije. We wonnen geloof ik met 4-2 en ik scoordeéén keer, dus ook dat was een zeer bevredigend debuut. In de zomer van 1960 mocht ik mee op de Caribische trip met Oranje. We speelden daar tegen Mexico, Suriname en de Nederlandse Antillen. In die tijd hadden mannen als Cor van der Hart, Frans de Munck en Kees Rijvers het nog voor het zeggen in het Nederlands elftal. Zij waren toen al ver in de dertig en met jongens als Sjakie Swart, Bennie Muller, Coen Moulijn en mijn persoon diende zich een nieuwe generatie aan. Al die jongens kende ik trouwens al van het Militair elftal waar we ook in dezelfde lichting zaten. Nou dat was me toch een goed elftal, we hebben ooit nog eens de halve finale van het Wereldkampioenschap voor Militaire elftallen in Portugal gehaald.

Achteraf vind ik het doodzonde dat ik nooit een groot toernooi met Nederland heb mogen spelen. Op zich hadden we er zeker de kwaliteiten voor maar het Nederlands elftal had toen nog niet de prioriteit zoals dat nu het geval is. Vaak werd er vanuit de club aangegeven ‘doe maar rustig aan’ als je was geselecteerd voor Oranje. Maar het was niet zo, zoals nu wel eens wordt beweerd, dat de jongens van Ajax en Feijenoord het niet goed met elkaar konden vinden en dat daardoor de prestaties van Oranje achterbleven bij de internationale prestaties van Ajax en Feijenoord. Ook conflicten tussen de KNVB en de internationals van Ajax na het rode kaart incident van Piet Keizer tegen Joegoslavië (De KNVB schorste Keizer niet alleen voor de internationale wedstrijden met Oranje maar gedurende die periode ook voor de nationale wedstrijden met Ajax waarop uit protest alle Ajax internationals het Nederlands elftal boycotte zolang de schorsing van Keizer actief was, red.), het conflict met Feijenoord over het niet afstaan van spelers en Johan Cruijff die rustig een paar dagen voorafgaand aan een interland naar Italië ging om voetbalschoenen te passen, maakte het klimaat voor prestaties niet bevorderlijk.

Huwelijk van H. Groot , speler van Ajax, met Elly Kaayk in Koog aan de Zaan , he…
Huwelijk van H. Groot , speler van Ajax, met Elly Kaayk in Koog aan de Zaan

Mexico
In 1969 waren we heel dichtbij kwalificatie voor de WK van 1970 in Mexico. We moesten gelijkspelen in en tegen Polen en dan zouden we thuis het karwei kunnen afmaken tegen Bulgarije. Maar die wedstrijd in Chorzow tegen de Polen liep uit op een drama. De scheidsrechter was duidelijk geïmponeerd door de 100.000 man op de tribune en trad niet op tegen het idioot harde spel van Polen. We kwamen in de 1ste helft nog wel op een 1-0 voorsprong maar al vrij snel hadden de Polen die achterstand omgebogen naar een 2-1 voorsprong. Terwijl we al met 2-1 achter stonden, kreeg ik een vreselijke trap tegen m’n knie, ik verging van de pijn maar moest blijven staan omdat we al twee keer gewisseld hadden. We verloren uiteindelijk die wedstrijd ook met 2-1 en konden het WK vergeten. Maar ik zat ook nog met die knie. De pijn die bleef en achteraf heb ik er veel te lang mee rondgelopen en zelfs nog een wedstrijd mee gespeeld, pas een maand later toen ze er vocht inspoten om goede foto’s te kunnen maken bleek alles in de knie te zijn afgescheurd wat maar afscheuren kon daarnaast was de meniscus kapot en vastgegroeid aan mijn knieschijf. Ik werd geopereerd en afgekeurd voor betaald voetbal.

Op zich een enorme onverwachte tegenvaller, het seizoen was net een paar wedstrijden oud en ik stond nu voor altijd langs de kant. Ajax en Michels pakten het perfect op door, nadat ik weer hersteld was van de operatie, mij te vragen om als een soort van elftalbegeleider en scout te gaan fungeren. Vanaf dat moment ging ik alle internationale tegenstanders van Ajax bekijken en als ik daar was dan regelde ik meteen de hotelboekingen voor het team en kaartjes voor onze supporters. Dat was heel leuk werk want op die manier bleef ik nauw betrokken bij de groep en heb ik de Europese hegemonie van Ajax van zeer nabij meegemaakt.

Ook na het vertrek van Michels in 1971 bleef ik onder Kovacs actief betrokken bij de organisatie rondom het eerste elftal. Zo ging ik in 1973 naar Belgrado waar Ajax een paar weken later de Europacup finale zou spelen tegen Juventus, ik boekte het hotel en regelde 10.000 kaarten voor onze supporters en die nam ik zo mee in mijn koffer. Op de terugweg vloog ik via Turijn waar ik nog een wedstrijd van Juventus zou gaan bekijken, eenmaal bij de Italiaanse douane moest ik mijn koffer openen. Nou, ik heb in m’n leven nog maar weinig mensen zo verbaasd zien kijken als die Italiaanse douanier toen hij 10.000 kaartjes in die koffer zag. Hij geloofde niet dat ik er legaal aan gekomen was en ik moest de koffer dan ook inleveren. Ik sprak geen woord Italiaans en hij geen Engels dus de communicatie verliep zacht gezegd stroef. Gelukkig reisde er een Nederlandse journalist met mij mee die wel Italiaans sprak en hij heeft de situatie toen gered, zodat ik de koffer met 10.000 kaarten alsnog kon meenemen.

George Knobel
De perfecte job die ik bij Ajax had werd verstoord toen in de zomer van 1973 George Knobel de nieuwe trainer van Ajax werd. Die man was al paranoïde voordat hij maaréén wedstrijd bij Ajax had gecoacht hij ging als een bullebak te werk. Zo trof ik na de zomervakantie mijn eigen bureau in De Meer niet meer aan in de kamer waar het al vier jaar had gestaan. Hij had het laten verplaatsen naar een soort van materiaalhok. Ik was daar zo pissig over dat ik na een paar weken ben opgestapt. Achteraf heb ik daar spijt van gehad omdat je toen al kon zien dat die man (Knobel, red.) bezig was om zijn eigen graf te graven. Als ik even had gewacht was hij weg geweest.
Al tijdens mijn spelerscarrière verzamelde en handelde ik in oude munten en toen ik niet meer bij Ajax werkte heb ik daar mijn beroep van gemaakt. Daarnaast ben ik nog wel actief geweest als trainer maar altijd op amateurniveau, dat vind ik op zich prima want ik zie in mezelf geen professionele trainer. Ondanks de andere clubs waarvoor ik heb gespeeld is Ajax toch echt een stuk van mijn leven geworden en gebleven.”

(bron: degoeieouwetijd.nl).