Verhalen van vroeger

Vrije woensdagmiddag

Dat ik nog op de lagere school aan de Tuinstraat zat, gingen we op de vrije woensdagmiddag meestal een rondje Zaan maken. Via de Julianabrug gingen we het dijkje op langs de Zaan, de Zaanse Schans was er nog niet, je kwam dan als eerste de houtmeelfabriek de Haan tegen, het dijkje volgend kwamen we bij de lakfabriek van Jacob Vis, bij de lakfabriek stond een oude boerderij, waar een van onze klasgenoten woonde (volgens mij Bouke Houtma ), verder het dijkje langs kwamen we langs nog een houtmeelfabriek en de verffabriek van Wakker, de dijk volgend kwamen we bij de Moriaan, dit was voor ons een interessante fabriek, de machines waren in onze beleving enorm, nadat we hier uitgekeken waren gingen we verder naar de Lassie, waar het een kunst was om in de pakhuizen te komen en dan via de glijgoot (een sul) weer naar buiten, wat ook wel eens een nat pak opleverde als je in de Zaan terecht kwam. Via de Zaanbrug gingen we weer terug richting Zaandijk.

Schuilhut
Onderweg kwamen we langs oliefabriek de Toekomst, via een steegje tussen de Adelaar en de oliefabriek kon je aan de achterkant komen waar een gat in de muur zat, zodat je in het oliehuis terecht kwam, vandaar liep een lange gang met een as door de gehele gang vanwaar allemaal drijfriemen de wringers aandreven (kom ik nog op terug wat een wringer doet). Deze lange as werd aangedreven door een groot vliegwiel in het ketelhuis welke werd aangedreven via een stoommachine. Via de gang konden we in de opslag van de balen komen, wij klommen daar boven op en maakte dan een schuilhut, via smalle trappen en silo’s kwamen we op het dak van het silogebouw Rosarium, vandaar had je een machtig uitzicht over de polder en op het dak stonden de grote letters B & L Bloemendaal en Laan), je moest wel oppassen dat je niet gesnapt werd want dan kreeg je een pak op je donder en werd je eruit geschopt.

Palmpitten
Verder via onze strooptocht kwamen we langs Crok en Laan ook een oliefabriek, daar was het de kunst om via het pakhuis Amerika naar de pittenzolder te komen, daar lagen de balen met Palmpitten opgeslagen, De balen werden vanuit een boot naar boven gehesen en dan over de pittenzolder liep een lange transportband, het was de kunst om boven te komen en dan op de transportband gaan zitten en vlak voor het eind er weer af, na wat rondgestruind te hebben vervolgde wij weer onze tocht, die meestal eindigde bij molen de Koperslager.

Via de achterkant langs de Zaan konden we in de molen komen, waar in de schuur de pinda’s lagen opgeslagen, na deze ongebrande pinda’s te hebben gegeten meestal last van buikpijn. Deze pinda’s werden onder de molenstenen vermalen tot meel, nadat dit meel was opgewarmd werd het in een wringer geleid, een grote machine waar een soort worm schroefvormig door een huis gaat, het meel wordt erin geleid en door de grote kracht word de olie uit het meel geperst (gewrongen ) en de koek die eruit kwam werd als veevoer verkocht, de Arachideolie olie ging in vaten en werden per schip afgevoerd. De molen kon niet meer op wind werken, de molenstenen en de wringer en pompen werden elektrisch aangedreven, en alle werkzaamheden werden dooréén man (de heer Roos) uitgevoerd. Vanuit het molenlijf langs de stenen kon je via smalle trappetjes en zolders boven in de molenkap komen, waar je ook een geweldig uitzicht had over de Zaan, hier hebben we uren zitten genieten, de molen hadéén nadeel, het stierf er van de ratten.

Zo eindigde voor ons meestal een rondje Zaan op de woensdagmiddag, naast de Koperslager stond nog de cacao branderij de Grootvorst van het Zaantje maar dat vonden wij meestal een stinkende fabriek.

Meeuwis Pool