Achter de deur ...

… Raadhuisstraat 36

Er zijn, voor zover ik weet, weinig panden in Koog of Zaandijk waar heel grondig onderzoek is gedaan naar de voorgeschiedenis, de huidige plek en de bewoners. Gelukkig echter voor ons is er een prachtig document over de plek waar momenteel Raadhuisstraat 36 te vinden is, opgesteld door Erna Rem-Roth. Zij is, behalve lid van de HVKZ, ook lid van de Archeologische Vereniging afd. Zaanstreek.

Raadhuisstraat 36, afb. Erna Rem-Roth

Een pottenbakkerij op de Koog

N.a.v. een artikel over een aantal misbaksels, aan elkaar gebakken scherven, in het blad Grondspoor (nr. 185 van september 2012) werd de belangstelling van Erna gewekt. De scherven waren in 2012 gevonden op de plek van de verbrande beschuitbakkerij Hille, de voorganger van de in 2005 gesloopte bakkerij van Bolding aan de Zuideinde. Achteraf bleken de scherven door de grote hitte van de brand aan elkaar gebakken te zijn dus de redenatie dat er op die plek dus een pottenbakker werkzaam was geweest klopte niet.

Erna ging naar het Gemeentelijk archief om te kijken of de eerder door haar gevonden akten over een Koger pottenbakker daadwerkelijk op de plek van Bakkerij Bolding aan het werk was geweest. Dit bleek dus niet het geval te zijn maar zij ging verder zoeken naar de plek waar deze dan wel had gewerkt.

Uit een verslag van de rechtbank van Westzaan en Krommenie uit 1651 komt naar voren dat Ysbrandt Claes Potbacker, wonende op de Coogh een huis heeft gekocht, met ten noorden buurvrouw Trijntje Guert Josephs en ten zuiden buurman Pieter Maartens Potas, voor de som van elf honderd veertien Karolingische guldens en 20 stuivers.

Zeer waarschijnlijk gebruikte, behalve de pottenbakker, ook een kleipijpen bakker de oven. In die tijd was dit gebruikelijk. Er is een notariële acte bekend waarin hier gewag van wordt gemaakt.

Eind 1652 sloeg het noodlot toe: er ontstond brand in de pottenbakkerij. In die tijd was de werkplaats in de regel aan het woonhuis gebouwd en soms zelfs was de bakoven in het huis te vinden. Dit was waarschijnlijk ook het geval bij het pand van Ysbrandt Claes Potbacker.

Ysbrandt geraakte in financiële problemen door de brand, hij leende in 1653 duizend guldens. In 1654 heeft hij een schuldbekentis getekend bij een Alkmaarder poorter voor 300 gulden, en in 1656 wordt hij aangesproken wegens het niet betalen van 60 aan hem geleverde potten. De potten kwamen uit het pottenbakkerscentrum uit die tijd: Bergen op Zoom. Ysbrandt kon dus door de brand zelf geen potten meer bakken maar wilde ze wel blijven verhandelen. Het pand werd in 1656 gerepareerd door timmerman Jan Pietersz. voor een bedrag van 63 gulden.

Voor de weduwe van Ysbrant Claas Potbacker zal er geen andere mogelijkheid overgebleven zijn dan de Pottebackerij te verkopen. Dit gebeurde in 1657. In de verkoopakte van notaris Cael te Koog wordt Maritje Claes, de 39 jarige weduwe van Ysbrandt, genoemd. Maritje woont dan al in Ransdorp. De nieuwe eigenaar werd Adriaen Ollebrants, koopman te Alkmaar voor de prijs van 983 gulden

Of er nogmaals potten zijn gebakken op de locatie na het overlijden van Ysbrandt is niet bekend. In 1662 wordt het huis en het erf genaamd “De Pottenbackerije” door Adriaen Ollebrandts verkocht aan leden van de familie van der Ley: Gerrit Stock en Sijmon Adriaens van der Ley, voor een bedrag van 1.125, – gulden.

Sijmon Ariaens v.d. Ley was koopman en doopsgezind voorganger op de Koog. Hij woonde niet zelf in het pand waar hij voor 1/3 eigenaar van was. Zijn schoonzus, Grietje Hendricks Stock, weduwe van Sijmon’s, broer Pieter Adriaensz v.d. Ley, en Impje Jans de weduwe van Gerrit Hendricksz Stock, waren de twee andere eigenaren. Gerrit Stock was stijfselmaker op de Koog. Het pand werd tijdens hun eigendomsperiode mogelijk als opslagruimte gebruikt. In die tijd was opslagruimte een schaars goed en de rijke families van der Ley en Stock bewoonden al andere panden ten tijde van de koop.

Uit het testament dat de ouders van Symon in 1674 lieten opmaken blijkt dat zij de kinderen van Pieter en Grietje “een derde part in een zeker pakhuis en erf genaamd de Pottebackerij, staande en leggende op de Koogh” vermaakten.

De eigenaren Floris Cornelis de Lange (oud burgemeester van Westzaan) getrouwd was met Trijn Jans Kuijper, de weduwe van Sijmon van der Ley, en de schoonzoon van Impje Jans: Claas Arisz. Kaaskoper en Grietje van der Ley. verkopen in 1698 huis en erf voor 1.200, – gulden aan Jacob Peereboom.

Jacob werd, samen met zijn broer Sijmon Peereboom, eigenaar. In 1699 kopen zij van de armvoogden voor 403 gulden ook het ten noorden van de Pottenbackerij gelegen huis van de overleden buurman Jan Pieters Potjes. Dit huisje werd rond 1712 gesloopt.

Jacob had land in bezit, grenzend aan de Veer- of Pottenbakkersloot en de Koekuijtsloot. De Veer- of Pottenbakkerssloot sloot lag haaks op de wegsloot tegen over de Pottebackerij. In 1712 kocht hij oliemolen “De Rob” om deze te laten herplaatsen en -bouwen als loodwitmolen op zijn land.
Ook laat hij in dit jaar, samen met zijn Noorder buurman, de chirurgijn mr. Jan Harmens Meijer, de grens tussen de beide erven notarieel vastleggen. Na de dood van Jacob in 1715 stonden de Pottenbackerij en het erf van het gesloopte huisje van buurman Potjes op naam van zijn broer Sijmon.

Na het overlijden van Sijmon, hij stierf insolvent (failliet) in 1719, werd De Pottenbackerij door zijn kinderen verkocht. Jan Davidsz. van Elsland, olieslager, wordt de nieuwe eigenaar voor 2.525, – gulden. Het lege erf van buurman Potjes aan de noordzijde van de Pottenbackerij werd tegelijkertijd in 1720 verkocht aan Arent Onderwater voor de somma van f 470, -.

Het deurkalf van Raadhuisstraat 36, afb. Erna Rem-Roth

Het feit dat van Elsland het dubbele bedrag betaalde voor het huis vergeleken met de gebroeders Peereboom (in 1698) doet vermoeden dat het huis geheel verbouwd of zelfs vernieuwd werd. Het deurkalf geeft het jaartal 1700 aan, dat zou daar aan gekoppeld kunnen worden. Echter de verponding (onroerend goed belasting) laat dit niet zien. Van Elsland betaald tot 1733
nog steeds een bedrag van f 2-0-0, na de hertaxatie in 1733 wordt dit f 4-3-0.

Na het overlijden van Jan van Elsland in 1749 worden de bezittingen overgeschreven op Gijsbert van Elsland. In 1752 is ook deze overleden en gaat De Pottebackerij + erf over naar zijn schoonzoon Tijs Hendriksz Copjes, de man van Trijntje Gijsberts van Elsland. In 1779 verkopen zij hun bezit aan Reinier Sloos voor f 1.109, -.

De erven van de weduwe Jannetje Sloos-Schans verkopen in 1791 het huis + erf+ pakhuis voor f 3.150, – aan de verfhandelaar Albert Kluyver. Rond 1819 had zijn zoon Pieter Kluyver nog een overtuin gekocht, deze lag ten zuiden van de recht tegenover zijn vaders huis gelegen Veer- of Pottenbakkerssloot. Vader Albert Kluyver overleed in 1836. In 1837 kwam het huis, getaxeerd op f 2.200, -, en de overtuin in het bezit van zijn kleinzoon: Aris Kluyver. Dit was een zoon van de eerder overleden zoon van Albert: Pieter Kluyver.

In de verpondingsboeken heeft het pand inmiddels een nummer gekregen: B 668. Op de eerste kadastrale kaart (minuutplan van 1817) van Koog aan de Zaan is te zien dat het pand B 668 op dezelfde plaats staat als Raadhuisstraat 36.

Het minuut plan van 1817 met op nr. 668 het huidige Raadhuisstraat 36, met op nr. 439 de nog grote overtuin aan de Pottenbakkerssloot en de dijksloot. (Afb. GAZ)

In 1853 bied Aris Kluyver, fabrikant en koopman, het huis + overtuin ter veiling aan in herberg De Waakzaamheid. Ook horen er enige roerende goederen zoals vloerkleden, glasgordijnen, chassinetten (losse raamhorren), een vlot in de Zaan en koperen gebruiksvoorwerpen bij de koop. Graanhandelaar Willem van Hoorn wordt voor f. 4.100, – de nieuwe eigenaar.

Tot 1858 is er volgens het kadaster sprake van een huis, pakhuis en erf. In 1858 is er sprake van een verandering van het gebouw en in 1859 wordt er geen melding meer gemaakt van een pakhuis. Het kadastrale nummer wijzigt dan van B 668 naar B 967.

1866: Meester Jan Spekham Duyvis, oliefabrikant, de nieuwe eigenaar van huis, luchthuis, erf + de overtuin met plantsoen aan de Veer- of Pottenbakkerssloot. Hij betaalde f. 6.500, – voor het geheel.

1874: Jacobus Cornelis Honig, koopman en oliefabrikant, koopt op de veiling in de Waakzaamheid het pand, erf, luchthuis en overtuin + een aantal roerende goederen voor f. 3.787, –

1877: Ericus Gerhardus Duyvis, oliefabrikant, koopt het pand, de prijs is niet bekend. In 1891 laat hij een 1e verdieping aan de achterzijde van het huis erop bouwen.

Afbeelding GAZ

1896: Pieter Swart, koopman, wordt voor f. 4.000, – de nieuwe eigenaar van het huis en het erf. De overtuin koopt hij er voor f. 800, – bij. In de aankondiging werd deze beschreven als een “tuinaanleg tot vermaak”.

In het boek ‘Wandelingen door Koog a/d Zaan en Zaandijk omstreeks 1900-1905”, geschreven en getekend door T. Woudt staat op blz. 28 de volgende beschrijving van de voormalige pottenbakkerij, dan bewoont door de heer Swart en familie uit bovenstaande akte:

“Het volgende huis, waarvan U de punt van het dak met de makelaar boven de andere huizen ziet uitsteken en waar eens de reeds genoemde overtuin bij hoorde, werd bewoond door het gezin Swart, gevolgd door de familie Stam, waarna Piet van Calcar er zijn intrek nam, die daar achter in de steeg bij de Zaan een jutezakken prikkerij liet bouwen, die na enkele jaren verbrandde. Na herbouw kwam hier de zakkenhandel van Fok Wieringa. Genoemd huis herkreeg later zijn bestemming als burgemeesterswoning voor de heer L.A. Ankum”.

Raadhuisstraat 36 in de jaren ’20, afb. GAZ.

Met hele grote dank aan Erna Rem-Roth, haar researchwerk is in zijn geheel hier te lezen.
www.awn-archeologie.nl/afdeling/zaanstreek-waterland/wp-content/uploads/2017/09/Een-pottenbakkerij-op-de-Koog.pdf