Weer is een winter voorbij. Héél even leek het erop dat 1956 zich zou herhalen, met een late en felle vorstperiode. Toen begon het op 30 of 31 januari. Maar nu was het al te ver in het seizoen, 10 februari of zo. Het ging al snel weer dooien.

In die winter van 1956 heb ik schaatsen geleerd. Op de sloot voor ons huis, de Tuinsloot. Of is het Tuinkadesloot? Laat maar. Op kleine Friese doorlopertjes, nog van een tante, toen die een kind was, verscheidene strenge winters daarvóór, en die je onder aan je zwarte rubber laarsjes bond met van die gekleurde banden die na een half uur onvermijdelijk stijf bevroren waren en dan kreeg je ze heel moeilijk weer los.

Februari van dat jaar ’56 is de koudste maand ooit gemeten. En in die winter verrichtte ik een heldendaad. Vandaag de dag zou het misschien TV Noord-Holland wel hebben gehaald – in die dagen bleef het onopgemerkt. Maar ik deed het niet alleen… Voor die andere twee was het nèt zo heldhaftig.

Naar Purmerend schaatsen en weer terug. Op een zondag, want in die tijd ging je zaterdag nog gewoon naar school…

Echt naar hartje Purmerend, jawel. Vanaf de Julianabrug. Ik heb het uitgemeten op een googlekaart en dat is heen en terug eenentwintig kilometer! Een ventje van acht met twee bijna bejaarden. Oma en haar ongetrouwde broer, Ome Dirk.

Nu moet ik wel even gaan rekenen. Oma april 1893, Ome Dirk maart 1897. Oma was toen dus nog 62, Ome Dirk nog net geen 59. Daar kwam ik, van 1947, acht jaar jong!

Het avontuur begon bij Oma aan de Goeman Borgesiusstraat. Wollen wanten aan, ijsmuts op, dikke jas met nog een extra trui eronder. Lopend, over de Julianabrug, de Zaan stijf bevroren, met nog een flinke vaargeul die opengehouden werd door ijsbrekers, en dan voorbij de brugwachterswoningen, in de berm van de Leeghwaterweg opbinden, dan het eerste stuk door de gestolde sloten en vaarten van de Kalverpolder, vervolgens klimmen over het dijkje met het grindweggetje dat geen naam heeft en dan was je op de ringvaart van de Wormer. Dat was de eerste keer dat ik mannen op hoge noren zag voorbijsnellen.

Van die lange tocht, verder over die ringvaart, kan ik me eigenlijk niets meer herinneren, het is echt meer dan zestig jaar geleden, maar wel dat we in Neck arriveerden en daar was een kleine koek en zopie, en de mevrouw vroeg of ik warme of koude limonade wilde. En ik wilde koude! Enige omstanders lachten wat verbaasd, maar ik had het een beetje warm gekregen, met die extra trui, er was een zonnetje die dag, en het vroor niet heel hard. Het was een beetje dom, want het was maar een klein glaasje. Die warme zat in grote bekers. Verkeerd gegokt.

Toen moeten we over het Noord-Hollands kanaal verder zijn gegaan, want wat later zaten we in een café bij de sluis, in het centrum van het toen nog kleine stadje.

Oma nam koffie of misschien wel een kopje tomatensoep en Ome Dirk dronk geloof ik alleen maar thee, en ik zal weer limonade hebben gekregen, gewone dan, in een ècht glas — maar even verderop zat een vent met een glaasje bier voor zich op een tafeltje met een pluchen kleedje en af en toe nam hij een slok. Wat een opwinding, zoiets had ik nog nooit gezien…. Je had in die tijd in Zaandijk twee cafés, Vloon en Tambach, maar die werden door velen, en zeker door mijn ouders, als ware poelen des verderfs gezien. Daar kwamen we niet.

We moesten ook weer een keertje terug…. en daar herinner ik me wel watmeer van.

Oma had een mutsje op en droeg onder haar gewone winterjas een jurk; of ze nou speciale schoenen had om die schaatsen, met zo’n grote krul, onder te binden, dat is niet in mijn geheugen opgeslagen. Heel hard ging ze niet – maar ze reed met kleine slagen gestaag en dapper door.

Ome Dirk had een hoofddeksel dat een krol werd genoemd en hij droeg verder gewoon zijn donkergrijze winterjas over zijn verkleders kostuum. (Overdag droeg je daagse kleren of werkplunje, maar als je thuiskwam van het werk dan trok je je verkleders aan en op zon- en feestdagen – maar echt alleen dan – ging je in je goeie goed ofwel zondagse pak. Na enige jaren werd gewoonlijk een nieuw pak aangeschaft en dan werd dat huidige zondagse pak gedegradeerd tot verkleders. Ik vermoed dus dat Ome Dirk voor de schaatstocht dat laatstgenoemde tenue aanhad want ja, schaatsen in je goeie goed, dat was toch zonde, al was het zondag).

De schaatsen bond hij met riemen vast onder de grote zwarte hoge schoenen die hij altijd droeg, op zijn dagelijkse gang naar de Boerejonker, voorheen De Nazorg, over de Noorderbrug en dan iets verder, de beschutte werkplaats die hem in staat stelde om zijn dagen zinvol door te brengen. Fietsen kon hij niet. Hij was ook niet heel standvastig op de schaats – maar hij viel nooit. Hij reed met korte slagen, hield zijn armen gespreid, half naar beneden, en waggelde een beetje zoals een pinguïn.

Het zou best eens kunnen dat wij op de terugweg een westenwindje tegen hadden, want het begon een beetje  te dooien. En het was lang en zwaar.

Uiteindelijk bereikten wij het punt niet ver van de Amerikaanse windmolen waar je weer van de ringvaart naar de Kalverpolder klauterde, kluunde, zouden we nu zeggen, maar toen spraken we nog geen Fries. Ome Dirk klaagde wat dat het niet zo best meer ging. Misschien waren zijn schaatsen wel stomp. Oma was ook moe en ze zei dat het ijs een beetje te roffelig was om goed verder te kunnen en daarom werd besloten om af te binden en verder te lopen.

Rond een uur of zes arriveerden wij op de Tuinkade. De sloot was nog druk met schaatsers, ja, eind februari, dan is het nog licht om zes uur. Maar er was geen fanfareorkest om ons in te halen en er stond ook niemand met bloemen. En óók niemand wist hoe ver ik en Oma en Ome hadden gereden op die dag…

Al hadden we het laatste stukje gelopen.

Zelfs aan die winter kwam een einde. Hoe lang hij ook leek.

Oma had het nog wel eens over onze tocht. Maar verder niemand.

En toch, een heldendaad, dat was het. Vind ik van wel.

En dat allemaal op oude doorlopertjes, die afdankertjes van tante.

Doorlopertjes. 1956