Hoe die brug er kwam — Burgerzin !

Op de hoek van de Berkenweg en de Prunuslaan stond een draaiorgel en het speelde vrolijke muziek, zoals het draaiorgels betaamt. Ik liep daar met mijn moeder, die misschien even een boodschapje had gedaan bij de Coöperatie, daar in het laatste huis van de Prunuslaan waar nu een kapsalon zit. Eigenlijk kocht ze nooit wat bij die winkel want dat deed ze liever bij een echte kruidenier, het beroep dat haar vader, mijn opa dus, lang had uitgeoefend. Het kan ook zijn dat ze vis ging halen want op die hoek stond eens per week een straathandelaartje met verse schollen en kabeljauw en schelvis en zo, allemaal voor een krats in die tijd. Maar ja, gewone mensen verdienden ook bijna niks natuurlijk. Die vis haalde hij in de kofferbak van een enorme ouwe Amerikaanse Chevrolet met nog een aanhangertje, waarmee hij ’s morgens vroeg naar IJmuiden reed. Dat hoorde ik hem zeggen tegen de klanten, om te benadrukken hoe vers zijn vis wel was. Je bent ondernemer of je bent het niet.

Die brug is er nog steeds, nu ook al vijftig jaar. Ook alweer oud. Hij ziet er nog prima uit.
Als hij klaar was dan gooide hij tot mijn kinderlijke verbazing al het overgebleven ijs zomaar op straat want dat smolt wel weg zei hij, en dat was natuurlijk ook zo.

Het was 1953, denk ik. Misschien zelfs nog een jaartje eerder. Er stond dus dat draaiorgel te spelen en ik vroeg nieuwsgierig, mamma waarom is dat orgel hier? Het is feest vandaag, antwoordde ze, en ze stopte iets in het centenbakje waarmee de wat bizar uitziende dame naast het orgel stond te rammelen. Wat zou ze erin hebben gedaan? Een stuiver? Nee, misschien hooguit twee centen. Toch mocht ik van die dame een lolly uitzoeken en ik nam lekker een mooie rode en daarmee was het voor mij ook echt feest geworden, dat begrijp je.

De feestelijke gelegenheid bleek hieruit te bestaan dat eerder die middag een houten noodbrug over de Nieuwe Vaart was geopend, vast en zeker door de burgemeester himself, tussen de Berkenweg en de overkant, het Ezelspad. Dat bestond daar toen nog gedeeltelijk, al waren er wel een aantal vervallen woninkjes met onbewoonbaar verklaard erop. Nee, dat is het Eerste Ezelspad, zei Ome Dirk dan, want vroeger had je ook een Tweede Ezelspad. Maar dat was toen al lang verdwenen. (Over Ome Dirk heb ik het nog wel eens).

Ach, nu weet ik het ook wel weer. Moeder had vast gehoord over dat nieuwe bruggetje voor voetgangers en fietsers en nu kon ze langs een veel kortere weg naar haar echte kruidenier aan de Lagedijk lopen. Dat was het natuurlijk. Dàt gaf haar het feestelijke gevoel en ik deelde met mijn lolly lekker mee in het gedruis.

Dat houten bruggetje moet een rib uit het lijf zijn geweest van de kleine gemeente Zaandijk, méér zat er voorlopig echt niet in. Ach, bijna niemand had nog een auto… Uiterst noodzakelijk was het toch wel, dat verbindinkje over de Nieuwe Vaart.

Ik had het al eens eerder over dat water, die vaart. Het blijkt dat die in 1710 is gegraven, misschien wel om de scherpe bocht in de Zaan af te snijden? Wie weet. Zo nieuw was-ie dus nou ook weer niet, in 1952 of 53. Toch was hij er nog steeds, een behoorlijk obstakel in het zich gestaag uitbreidende Zaandijk. Misschien had Pielkenrood, van de bussen en de vaten, er bij de gemeente wel op aangedrongen, op dat bruggetje; zij hadden vast veel arbeiders in de nieuwere wijken. Die kwamen toen nog niet uit alle hoeken van Europa aangevlogen of gespoord.

Langs dat Ezelspad lag een stukje ja, hoe zal ik het noemen, woeste grond? Er zullen ooit wel huizen hebben gestaan, misschien wel aan dat Tweede Ezelspad; die waren al lang verdwenen. Aan de noordzijde stonden nog wel een paar aardige stenen huisjes, klein, twee onder één kap. En een paar schrale populieren stonden moeizaam te overleven in de koude wind zó uit het Westzijderveld. Er was ook een sloot, dichter bij de metaalwarenfabriek – die werd op een gegeven moment gedempt, dat zie ik nog levendig voor me, kiepwagens met grote ladingen zand en een stel noeste kerels in pilo broeken met alpinopetten op, eeuwig een sjekkie tussen de lippen, die dat zand verder verspreidden met grote schoppen en scheldend de kleine jochies wegjoegen die lekker in dat mooie zand wilden lopen. En dat voor zesendertig gulden schoon in de week van achtenveertig uur. Daar stond ergens ook nog een oud pakhuis dat ééns bij de molen de Zwarte Arend had gehoord – de molen was reeds lang verdwenen, de naam leefde voort. We zeiden dan: waar gaan we voetballen? Bij de Zwarte Arend – dan wist iedereen waar dat was. Er was vóór die ouwe schuur een veldje dat een beetje kort werd gehouden door omwonenden die daar gras sneden voor hun konijnen. Velen hielden die knaagbeestjes in hun achtertuintje in een klein hokje, dan hadden ze met kerst wat op tafel….

Nu weer terug, naar die zo lastige Nieuwe Vaart, voor de scheepvaart nauwelijks meer van belang doch voor het verkeer een obstakel.

De gemeente had grootse plannen om de Prunuslaan door te trekken naar de Lagedijk, dan begon het allemaal ergens op te lijken. Eerst werd de “Verlengde Prunuslaan” aangelegd, van de Lagedijk tot de Nieuwe Vaart. Verder kon je voorlopig niet met de auto. Daarvoor was een èchte brug nodig. Tja, dat kostte veel geld en dat was er kennelijk niet….

Buren die in 1956 of zo vertrokken waren en die acht jaar later voor ’t eerst weer eens kwamen kijken, verbaasden zich erover dat dat houten bruggetje er nog steeds was en verder niks…. Het toenmalige college had de centjes niet bij elkaar kunnen krijgen.

In 1965 trad een nieuwe burgemeester aan; die had een ambitieus plan voor een burgerzinlening. Een toen nog bestaande vorm van financiering die ook wel in andere gemeenten werd toegepast. Daarbij werden mensen aangespoord om het geld uit het spaarvarken of de ouwe sok te halen en het aan de gemeente als lening te verstrekken. Een soort crowdfunding, zijn tijd vooruit! Van die spaarcentjes, ook nog wat uit Den Haag en misschien uit Haarlem zou dan de nieuwe brug worden aangelegd.

Of dat in werkelijkheid ook zo gebeurd is, het valt niet na te gaan. Het is heel goed mogelijk. Er is echter nergens iets over te vinden. En alle betrokkenen van toen, helaas, die zijn er niet meer.

Hoe het ook zij, de brug, die kwam er. En de Verlengde Prunuslaan werd Willem Dreeslaan. Jawel, wij hebben in Zaandijk ook een Staatsliedenbuurt….

Die brug is er nog steeds, nu ook al vijftig jaar. Ook alweer oud. Hij ziet er nog prima uit.

Cees Voort
JA, ik wil lid worden van de Historische Vereniging Koog-Zaandijk