Historische Vereniging Koog-Zaandijk

IJsjes

Was het in Egmond? Bergen aan Zee?  Of toch in Schoorl? Het zal wel Egmond aan Zee zijn geweest. Daar kwamen we weleens, vanuit Schoorl waar wij in de jaren vijftig en zestig vele keren vakantie hebben gevierd. Nou ja, gevierd… Het huishouden werd twee weken naar een andere plek verplaatst. Voor de rest bleef alles hetzelfde, behalve dat Pa er de hele dag bij was.

Zo’n drie uur fietsen was het vanuit Zaandijk, paar keer stoppen onderweg, met z’n zevenen, bij mooi weer soms via de Zaanbocht van Wormerveer, Westknollendam, Krommeniedijk en Busch en Dam, soms langs Westgrafdijk en door de Schermer, naar Schoorl, dat mooie dorp tussen weidse polders en hoge duinen, toen nog niet zo druk. Die dag werd het dan Egmond aan Zee. Dat was op zo’n mooie dag een aardig fietstochtje door duin en bos, met strandbezoek als beloning.

  

Egmond aan Zee (foto: Cees Voort)

Wij zaten daar aan dat nogal drukke strand, maar dat maakte niet zoveel uit, zei Pa, want we bleven niet lang. We moesten weer een beetje op tijd terug, vond hij. Alsof er iets groots en opwindends zou gaan gebeuren die avond, dacht ik dan, maar ik wist wel beter.  Ik zal toen een jaar of elf zijn geweest.

Na tien minuten in dat zand zitten gingen mijn wat oudere broer en ik ons een beetje vervelen en daarom besloten we om maar eens een rondje te gaan lopen tussen de mensen. Op tijd weer terug hoor, riep Moe ons nog na. Wij liepen een poosje in de richting van een paar tentjes waar ijs en snoep en schepjes en emmertjes werden verkocht, daar was tenminste wat reuring, dachten we, en toen wij daar dicht bij waren gekomen, riep een man iets naar ons. Hij zat in een groepje van vier, twee jonge vrouwen en twee eveneens nog jeugdige mannen. De man wenkte. “Hee jongens, kom es hier!” riep hij. En als goed opgevoede gehoorzame kereltjes deden we dat. De man strekte zijn rechterhand uit met daarin een papieren rijksdaalder. “Jongens, willen jullie even zes ijsjes van een kwartje voor ons gaan halen?”

En wij weer braaf: “Ja hoor meneer.” En dat deden we dus. Want als een vreemde meneer zegt dat je iets moet doen, dan doe je dat. Amsterdamse jochies zouden vast iets anders hebben gezegd. Gô je aage aassies hôle man! Maar wij waren Zaandijkse jochies…

Toen wij met de ijsjes bij het groepje terugkwamen, gaf mijn broer de man het wisselgeld. Een gulden. Hij pakte die aan, en vervolgens nam hij de in zilverpapier verpakte koude blokjes van mij over. Hij verdeelde die over de groep — en had er toen nog twee over. “Kijk es jongens, één voor jou, en één voor jou. Bedankt hoor.”

Geheel verrast namen wij de lekkernijen aan. “Dank u wel meneer.” Dát hadden we niet verwacht.

We besloten om nog maar wat door te lopen terwijl we aan het koude snoepgoed likten. Dat hoefden ze niet te weten. Pa zou het vast niet goed vinden als wij dingen deden voor vreemde mensen en ijsjes van ze aannamen. Dus toen we weer terug bij de rest waren, zeiden we niks.

Wij hadden mooi stiekem een ijsje van een kwartje gekregen, eerlijk verdiend en lekker opgelikt, en niemand anders wist het.

Lekker puh.

Cees Voort
ceesvoort@msn.com