Historische Vereniging Koog-Zaandijk

Middenstand

In alle dorpen schijnt het zo te zijn. Neem nou Zaandijk. Er is geen winkel meer over. Op de Koog bestaan nog wél een paar oude zaken, waar geparkeerd kan worden onder de Coenbrug. Dat is hun redding geweest. Misschien is de Koog ook wel geen dorp meer, met dat nare viaduct. Maar als het gaat om Koger bakkers, slagers, kruideniers, melk- en groenteboeren… ook allemaal weg, denk ik. Ik weet het niet, ik heb ze niet gekend.

Maar die van Zaandijk wel. Vier slagers. Stam, Bier (later Govers), Jongejans en Slagt. Vier bakkers. De Rooij, Jongejans, Bakker en Beumer, over ’t spoor. Ja, bakker Bakker en slager Slagt. What’s in a name… Bakker Jongejans en slager Jongejans. Dat waren geloof ik broers.
En melkboeren: Je had Oly, Sengers, Windhouwer, Oenen, Engel. Die laatste had een klein winkeltje waar ook snoep werd verkocht en dus was hij geliefd bij de jeugd: Engeltje.

Het pand van Oly op de hoek van de Karl Marxstraat/Goeman Borgesiusstraat (afb. GAZ).

Oly had ook een winkeltje en daar werden naast de kruidenierswaren en zuivel tevens zoetwaren en lekkernijen te koop aangeboden, maar Olietje klonk zeker niet.
Windhouwer had een piepklein zaakje aan de Parkstraat. Er konden maar drie mensen in, maar dat was niet zo erg want klanten kwamen daar weinig; de heer W. ventte zijn handel uit.
Groenteboeren waren ook talrijk. Vredenburg, Krijt, Kelder, Rijken, De Groot, over ’t spoor in Rooswijk, (die wel ventte bij ons maar moeder kocht niet van hem, véél te duur). Vredenburg aan de Guisweg was een geduchte concurrent voor Krijt, vlakbij in de Bredenhofstraat. De Vredenburgs verbouwden als eersten in Zaandijk hun tent tot zelfbedieningszaak, zo rond 1960, en waren daarmee hun buren van De Spar nét voor.

Dan had je nog Teling. Fraaie naam voor een groenteman. Dat waren broers, Gerrit en Willem. Gerrit was vrijgezel en woonde bij zijn getrouwde broer in, boven het zaakje aan de Lagedijk. Willem kwam bij ons aan de deur en Gerrit bij Oma, aan de Goeman Borgesiusstraat.
Willem ging des zomers vaak vissen in de Zaan. Dan zagen mijn broer en ik hem zitten tegenover het gemaal ‘Het Leven’, als wij uit het zwembad kwamen zo rond een uur of zeven. Er was daar, even verderop, een brede rietkraag met een open plek. Op een avond zat hij er weer. De volgende middag zei mijn moeder dat Willem dood was. Het was voor een achtjarige niet te bevatten, dat een normale, gezond ogende meneer de avond daarvoor nog gewoon zat te vissen — en de volgende dag dood kon zijn….

Visboeren…  Die ontbraken niet.  Olde was er, vanuit zijn winkel op de Lagedijk reed hij met zijn bakfiets door de straten. Hollandse nieuwe haring! En later ook een schreeuwkop van wie ik de naam nu kwijt ben. Een stem als een brulboei. Mak-kriel-luh!
Dan de kruideniers. Oly was dat ook, zuivel of grutterswaren, handel is handel. Schuin tegenover zat Meijssen. Als Oly na zessen wat langer openbleef – niet ongewoon in die dagen – dan belde mevrouw M. de politie, werd er gefluisterd. De concurrentie was kennelijk moordend. Maar of dat waar is..?

Kabel en Van der Meer hielden allebei winkel aan de Lagedijk, maar wel een eindje van elkaar verwijderd. Kabel was befaamd om zijn fraaie etalages, waarmee hij ook prijzen had gewonnen. Ber van der Meer had een heel oud kasregister dat geen guldens en centen aangaf, maar kronor en öre. Ik vermoed dat zijn vader dat Zweedse apparaat voor een prikkie op een veiling had gekocht en het ding deed het nog prima, dus waarom zou je voor veel geld een nieuwe, met guldens en centen erop, gaan kopen. Zaandijkers snapten het heus wel. Kroontjes en oortjes, dat klonk wel gezellig.

Woerdeman aan de Lagedijk verkocht kleding en manufacturen. Mevrouw W. sloot steeds de koop met de woorden: die maar doen? Koning, een heel stukje verder aan de Lagedijk, verkocht ook kleding, later alleen voor de rijpere vrouw. Aan kinderen kon je niks verdienen, schijnt mevrouw K. dat te hebben gemotiveerd. En daar tegenover op het Gorterspad was de schoenenwinkel van van Urk. De zoon, Kees van U. was voortvarend: als eerste middenstander bereed hij een scooter waarmee de gerepareerde schoenen aan huis werden bezorgd.

De heer Klaas Wit en mevrouw Voorn-Kieft, en tandarts Timmer als klant (afb. GAZ).

En dan Wit.
Die verkocht heel veel, bijna alles had hij. IJzerwaren, huishoudelijke artikelen, speelgoed, tuingereedschap, alles wat een mens in en om het huis maar nodig kan hebben, Wit verkocht het. Wit zal het wel hebben, prijkte in grote, fraaie letters boven aan de pui van het wat scheefgezakte pand aan de Guisweg. Twee etalages had hij, met daar tussenin het raam van de woonkamer. Maar in november en december was dat ook als etalage ingericht.  
Warmwaterkruiken kon men ook bij Wit kopen. Die waren in de jaren vijftig populair, want slaapkamers waren onverwarmd en de winters soms heel koud, zoals die van zesenvijftig. Het zal in die winter zijn geweest, dat mijn moeder een paar nieuwe kruiken kwam halen. Ze waren een stukje duurder dan de vorige keer.
“Ja mevrouw, d’r zitte weer drie loonrondes tusse hè,” vergoelijkte Wit zijn dure waar.

Op een dag vroeg een klant aan mevrouw Wit of zij ook aandrijvertjes verkocht. De echtgenote van de nijvere middenstander wist het niet en vroeg dus aan haar man, in haar aardige Duitse tongval: “Man, heb’n wai andraivertjes?
Baas W. hoefde niet lang na te denken, en antwoordde, onmiddellijk vertalend in het Zaans: “Wat? Andraivertjes? Nee hoor, die heb ik niet. Andraivertjes. De mense laike wel niet wais. Andraivertjes….”
Een dame die erbij stond, vroeg, een beetje aarzelend, “Maar meneer Wit, er staat toch, Wit zal het wel hebben?”
“Zeker wel, mevrouw,” antwoordde de winkelier beleefd, “maar d’r staat niet: Wit hèb ´t.”

Aandrijvertjes

Zo’n apparaatje zat aan de vooras van een brommer en draaide met het wiel mee, en was met een kabel verbonden aan een snelheidsmeter /km-teller op het stuur. Die teleurgestelde klant heeft ze later vast wel gevonden bij fietsenmaker Molenaar aan de Lagedijk of bij garage Pontman aan de Guisweg.

Cees Voort