Nut van het algemeen

Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen Koog Zaandijk (3)

Dominee Knittel schetst op 22 november 1888 ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Nut KZ in een notendop de problemen, waarmee het departement in de naaste toekomst te maken zal krijgen: het afnemende ledenaantal, waardoor niet alleen de instellingen (de spaarbank, de bibliotheek, de ‘Nutsavonden’) onder financiële druk komen te staan, maar ook de grondbeginselen van het Nut. Immers, het onderwijs was na het pionierswerk van het Nut ook landelijk gezien geheel in handen van de overheid; in de marge bleven enkele ‘kruimels’ over.


Koog aan de Zaan, Raadhuisstraat. De openbare lagere school. Gebouwd ±1885 en gesloopt ±1950.

Ook in het sociale domein, waartoe ‘volksbeschaving en volksgeluk’ behoren, bleef voor het Nut niet veel meer over door de emancipatie van de doelgroep, de ‘minvermogenden’, als gevolg van de opkomst van de zuilen – protestant, katholiek en socialistisch – die binnen de eigen denominatie de rol van het Nut overnamen. Ook de toevoeging in 1885 “de verheffing van het arbeidsvermogen en de levensstandaard der werklieden” – een late omarming van de ‘sociale quaestie’ – bood geen soelaas. In 1918 werd de specificatie ‘der werklieden’ geschrapt – eigenlijk een voor het Nut politieke kwalificatie en daarmee in strijd met artikel 2 “de Maatschappij streeft naar de bereiking van haar doel, onafhankelijk van eenige kerkelijke of staatkundige partij.” De specificatie werd vervangen door ‘van het volk’, want het Nut was er immers voor iedereen. Wat overbleef was het domein der cultuur en hierin ging het Nut verder waarmee het begonnen was.


Koog aan de Zaan. Klassenfoto van de openbare lagere school ±1890.
Onderwijs
Het ‘kroonjuweel’ van het Nut is altijd het onderwijs geweest: “De verbetering van het schoolwezen en de opvoeding der jeugd, als de voornaamste grondslag zijnde ter vorming, verbetering en beschaving van den burger,” zoals geformuleerd op de oprichtingsvergadering in 1784. Het Nut had sindsdien veel bereikt: de kwaliteit van de huisvesting, de leermiddelen, de opleiding van onderwijzers en van het onderwijs zelf was enorm vooruit gegaan. Bovendien had de overheid (gemeente, rijk) de organisatie van het onderwijs volledig overgenomen. Het Nut stond nu aan de kant, maar hield een warme belangstelling voor het onderwijs als geheel, dat wil zeggen voor het openbaar onderwijs. Wat gold voor het landelijk Nut, gold ook voor het Nut KZ; men bemoeide zich slechts in de marge met het onderwijs. Voornamelijk daar waar een tekort was; er was behoefte aan een meer op de praktijk gerichte opleiding. Voortbordurend op het voornemen om naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van het departement iets blijvends te doneren (een ‘School voor Handenarbeid’) wordt op de vergadering van 6 december 1888 het plan doorgesproken. De school gaat op 22 september 1889 met 18 leerlingen van start. Het Nut KZ juicht in 1908 de oprichting van een ambachtschool in de Zaanstreek toe en gaat in 1913 in een laatste poging nog een stapje verder.

De zogenaamde schoolstrijd, de gelijke financiering door de overheid van openbaar en bijzonder onderwijs, die sinds de vrijheid van onderwijs volgens de grondwet van 1848 losbarstte, is nog niet ten einde. Op de vergadering van 29 januari wordt een comité voor “een gecombineerde actie vóór de openbare school” opgericht. Voorzitter is Dr. E. v.d. Stadt, secretaris P. Walig. Er zullen sprekers optreden in de Zaanse gemeenten “om te ageeren tegen het oprichten van bizondere scholen, voorts in c. 10.000 ex. kosteloos een courant ter verspreiding onder redactie van den Heer Witten.”*

* Dit valt niet anders uit te leggen dan dat het Nut KZ aan politiek doet. Daarmee zondigt het tegen de eigen doelstelling geformuleerd in artikel 2: de Maatschappij streeft naar de bereiking van haar doel, onafhankelijk van eenige kerkelijke of staatkundige partij.”

Het departement geeft een subsidie van ƒ10. Het heeft niet mogen baten. Op landelijk niveau kwam de zogenaamde Pacificatie tot stand: de uitruil tussen liberalen en socialisten enerzijds en protestanten en katholieken anderzijds: algemeen (mannen)kiesrecht tegen financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Zo vastgelegd in een grondwetswijziging van 1917 en in de Wet op het Lager onderwijs in 1920.

Financiën
De voornaamste bron van inkomsten van het Nut KZ was de contributie van de leden. Die was bij de oprichting in 1788 ƒ5,25 per jaar, een heel bedrag, de leden uit de begintijd kwamen dan ook uit de gegoede burgerij van Koog en Zaandijk. Halverwege de negentiende eeuw begon het ledental terug te lopen, en in de strijd om dat tegen te gaan werd als uiterste middel met ingang van 1 januari 1879 de contributie verlaagd tot ƒ3. Een korte opleving volgde, maar al spoedig begon men zich weer op maatregelen te bezinnen om het ledental te vergroten. De kas van het departement stond regelmatig onder druk en men beknibbelde zelfs op de kleinste uitgaven: de afschaffing in 1872 van de gratis consumptie (de statutair te verstrekken halve fles wijn) aan leden op de vergaderingen, gevolgd in 1898 door de regeling dat “eenige verteering van de bestuursleden op eene openbare vergadering door het Departement wordt betaald.”


Voorbeeld van een begroting zoals die tussen 1902 en 1908 in de notulen zijn bijgevoegd

Tussen 1900 en 1930 wordt regelmatig aandacht besteed aan de financiële situatie van het departement. In 63% van de gevallen was er een voordelig saldo met als top ƒ217,64 in 1925. Daar staat tegenover een flop van ƒ107,83½ in 1909. Inkomsten genereerde het Nut KZ, zoals vermeld, voornamelijk uit de contributie van de leden (ƒ3 per jaar). Het is dan ook belangrijk dat het ledental op peil blijft, want, zoals er stond op een uitnodiging voor een lezing op 25 oktober 1897, “hoe meer financiëelen steun de Afd. ontvangt, des te meer kan zij werkzaam zijn in het belang van het Algemeen.” De begroting 1901/1902 vermeldt 59 leden, in 1908 zijn het er nog 56, in 1927 50 en na een wervingsactie in 1928 die 32 nieuwe leden opleverde, 77. Het bestuur wil er nog meer en in 1930 zijn het er 95, maar ook dat leidt nog niet tot tevredenheid.

Bezoek van de vergaderingen en ledental
De periode tussen 1900 en 1930 overziende, valt op dat het aantal aanwezige leden ter vergadering zelden boven de 10 kwam (13 op 21 september 1903; 11 op 8 november 1907 en als hoogtepunt 20 op 19 december 1907). Het verslag over het jaar 1922 vermeldt dat de twee lezingen goed werden bezocht, de ledenvergaderingen daarentegen niet, en eindigt met de oproep tot het werven van nieuwe leden. Het duurt tot de bestuursvergadering van 9 januari 1928 voor actie wordt ondernomen. Men besluit 70 potentiële leden in Koog en Zaandijk een circulaire te sturen. Dat levert 32 nieuwe leden op. Dat wil echter niet zeggen dat het bezoek van de ledenvergaderingen in de volgende jaren beter wordt: het blijft onder de 10 met als dieptepunt 3 leden op 6 mei 1931. Wel wordt nog vermeld dat er 8 nieuwe leden zijn bijgekomen, zodat het totaal aantal nu 95 bedraagt. Afgemeten aan het bezoek van de vergaderingen en het ledenaantal valt te constateren dat er veel ‘slapende’ leden zijn die wel verschijnen op de Nutsavonden, omdat die voor leden gratis toegankelijk zijn, maar op ledenvergaderingen verstek laten gaan.

Van het stichtelijk openingswoord tot de university extension
Het Nut KZ begon als een ‘heerenclub’ in vergadering die werkte in het belang van het ‘Algemeen’. Die vergaderingen begonnen met een stichtelijk woord van de voorzitter – het Nut was een club op christelijk grondslag – of van een spreker die zich daarvoor had aangemeld. Dat stichtelijk woord was een redevoering, een lezing die door de secretaris in de notulen werd samengevat. De openingswoorden verloren in de loop der jaren hun religieuze karakter, maar bleven wel moralistisch van aard. Dat kon ook niet anders; immers, het Nut had een missie: verbreiding van kennis onder en de emancipatie van de medemens, op de eerste plaats in eigen kring, maar gezien de doelstelling ook onder het ‘gemene volk’. Geleidelijk werden de onderwerpen profaan en uiteindelijk verdween het stichtelijk openingswoord uit de reguliere departementsvergadering. Het Nut KZ nam zijn missie serieus. Zoals al eerder vermeld nam Dr. J.J. Kerber het initiatief tot het houden van “vergaderingen met gasten tot het doen van volksvoorlezingen voor niet-leden”. Die groeiden met groot succes uit tot “buitengewone vergaderingen met genodigden”, ook wel “volksvoorlezingen” genoemd. Aanvankelijk kwamen de sprekers uit eigen kring, later ook van buiten.


Uitnodigingen voor ‘Nutsavonden’ zoals die werden gehouden in De Zwaan … en in De Waakzaamheid.

De volksvoorlezingen gingen over allerlei onderwerpen, waarbij het niveau was afgesteld op de doelgroep, ‘het volk’. Via een omweg ontstond de behoefte aan wat zwaardere kost. Jacob Vis Gz, koopman uit Zaandijk en lid van het Nut KZ, constateerde “dat boeken in de bibliotheek op technisch en hygiënisch terrein vaak hun weg niet vonden naar de leken, en dat om aan dit bezwaar tegemoet te komen over die onderwerpen populaire voordrachten gehouden moesten worden.”*

* Helsloot blz 73

De geboorte van de ‘bibliotheekvoordrachten’
Op de vergadering van 9 december 1893 (aanwezig 8 leden) wordt het reglement bibliotheekvoordrachten opgesteld. Doel: het lezen van wetenschappelijke werken te bevorderen. Het begin is moeizaam, de bijeenkomsten worden slecht bezocht, constateert men op de vergadering van 18 januari 1894 (10 leden aanwezig). Voorlopig gaan ze gecombineerd worden met de volksvoorlezingen; de beslissing over doorgang wordt uitgesteld in afwachting van het antwoord op de subsidieaanvraag bij het hoofdbestuur. Die wordt op 19 december 1895 gehonoreerd met ƒ40, op voorwaarde dat er twee voordrachten per jaar komen.

Lezingen en cursussen
Helsloot signaleert dat de ‘volksbijeenkomsten’ in Zaandam problematisch werden qua inhoud en orde, dat het departement niet meer overtuigd was van hun belang en in 1901 stopte met de organisatie. Er waren nieuwe methoden van volksontwikkeling: het Toynbee-werk en de university extension, een vorm van hoger onderwijs buiten de universiteiten.*

* Het Toynbee-werk: persoonlijke bemoeiingen van meer ontwikkelden in het belang van minder ontwikkelden. De doelgroep was de bovenlaag van de arbeidersklasse. Het waren gezellige, leerzame bijeenkomsten voor mannen en vrouwen op een centraal punt samen met idealistische en hoog opgeleide personen. Lezingen en cursussen op niveau: naaien, koken, gymnastiek, muziek en toneel. Helsloot blz 74, 75. Het Toynbeewerk is de tegenhanger van de ‘university extension’ en kwam in 1904 tot bloei op initiatief van Ds.H. Britzel en kreeg ook vestigingen in Koog (Lagedijk 33), Krommenie, Wormer en Jisp. Helsloot, blz 107.

Ook in Koog en Zaandijk doet zich zo’n ontwikkeling voor, en het departement besluit te gaan experimenteren met bijeenkomsten onder de vlag van de university extension.*

* Helsloot blz 73, 74. Het lijkt erop dat Helsloot de chronologie van de ontwikkeling in Koog en Zaandijk verwart: eerst waren er de volksbijeenkomsten of –voordrachten of –lezingen. Los daarvan stonden aanvankelijk de bibliotheekvoordrachten, totdat men ze wegens geringe opkomst ging combineren met de volksvoordrachten. De university extension sluit qua inhoud aan bij de bibliotheekvoordrachten.”

Op 19 september 1898 komt de university extension ter sprake in de vergadering te Zaandijk (12 leden aanwezig). Er wordt een circulaire voorgelezen: “University extension is het hooger onderwijs in zaken van Wetenschap en Kunst voor het publiek verkrijgbaar te stellen.” Op 28 november (10 leden aanwezig) wordt erop doorgeborduurd: er gaat gepoogd worden voor één onderwerp een cursus te geven. In een rondschrijven aan de leden kunnen zij kiezen uit Gezondheidsleer, Handelsrecht en Letterkunde. En zie, de notulen van de algemene vergadering van 8 juli 1899 (5 leden!) maken gewag van succes: de cursus was zeer geslaagd. Het afnemende ledental was een voortdurende bron van zorg voor het Nut KZ door de jaren heen. Bovendien werden de vergaderingen slecht bezocht. Vandaar deze ‘opwekking’, want “voor het departement (zoude) bij genoegzame steun nog zooveel te doen zijn.” De belangstelling voor de Nutsavonden neemt geleidelijk af. De vraag rijst of ze nog wel door moeten gaan gezien de toestand van de kas en de slechte opkomst. Het blijkt moeilijk “om blijvend in de lijn van het Nut, avonden te doen geven, waarvan men bij voorbaat al van succes verzekerd kan zijn.”

Nieuw: kinderavonden, cursussen, films
Maar het Nut KZ blijft niet bij de pakken neerzitten en breidt zijn aandachtsveld uit. Op de bestuursvergadering van 5 november 1908 besluit men tot de organisatie van zogenaamde ‘kinderavonden’ voor kinderen boven acht jaar. Het Nut KZ richt zich uitdrukkelijk op de jeugd. De eerste gaat gehouden worden in ‘De Zwaan’. Programma: vertellingen met lichtbeelden over ‘Alleen op de wereld’, ‘Aladdin en de wonderlamp’, ‘De tijger in de ton’. Er zijn 300 kaarten beschikbaar. Blijkbaar was de avond een groot succes, want op de ledenvergadering van 27 november wordt besloten er nog een te organiseren en wel op 12 februari 1909 in ‘De Waakzaamheid’ met vrijwel hetzelfde programma. In de pauze krijgen de kinderen chocolade. Er zijn 450 kaarten beschikbaar. In april 1909 is er een derde kinderavond. Dan is het een tijd stil in de notulen tot 19 januari 1912 in ‘De Zwaan’ de vierde kinderavond plaatsvindt, ook weer met lichtbeelden.*

* Blijkbaar was men niet tevreden over de kwaliteit van de vertoonde lichtbeelden. Want het departement schaft een ‘sciopticon’ aan, een projector of toverlantaarn, bekend om de goede kwaliteit van de beelden. De aanschaf wordt gefnancierd door de uitgifte van aandelen.”

Nieuw is ook het organiseren van een kookcursus. In het verslag van de vergadering van 4 maart 1913 duikt de mededeling op dat de kookcursus is afgesloten. Er waren twaalf leerlingen die ter afsluiting een kookboek kregen. De ‘leidsters’, Laura Walig en Rika Duyvis krijgen ter herinnering een zilveren lepeltje. Waar de cursus plaatsvond, wordt niet vermeld. Het gaat goed tot december 1915, dan gaat de kookcursus wegens geringe belangstelling (twee vrouwen) niet door. In 1916 wordt nog een poging gedaan, maar ook nu is er te weinig belangstelling. Uiteindelijk besluit men in de vergadering van 15 juli de inventaris van de kookcursus te verkopen aan Mej. Walig voor ƒ40.

Maatschappy tot NUT van ’t ALGEMEEN departement KOOG–ZAANDIJK.

Koog-Zaandijk, 10 januari 1928

M!
Zeer zeker is U bekend het bestaan van het Departement Koog-Zaandijk der Maatschappy tot Nut van ’t Algemeen, welk Departement reeds in 1785 werd opgericht. Mede mag als bekend worden verondersteld, wat het Departement reeds deed in het algemeen belang (Terloops zy hier gewezen op de bloeiende Nutsspaarbank, Volksbibliotheek en de series lezingen, die telkenjare worden gegeven). Waar het Bestuur gaarne meer zou willen doen (hetgeen thans, door het gering aantal leden, om begrypelyke redenen helaas niet altijd mogelijk is), zou het U willen opwekken, lid van deze, zo by uitstek nuttige vereeniging te worden, opdat zy, door verhoogde activiteit, meer kracht zal kunnen ontplooien. Het lidmaatschap kost ƒ3,- per jaar (loopend van 1 juli t/m 30 juni). Van 1 jan ’28 t/m 30 juni ’28 ƒ1,50. In de overtuiging van Uw sympathie met het streven van het Departement vindt het bestuur de vrijheid, U deze circulaire toe te zenden. Het secretariaat, Julianastraat 9, zal gaarne Uw naam noteeren op de ledenlijst van het Departement.

Het bestuur voornoemd,
W.F.G.L Driessen, Voorzitter
G.J. Honig
R. Abercrombie Jr.
M.A. Pelt, Penningmeester
G.F. Willering, Secretaris

N.B. Secretaris Willering vergist zich: het Nut is in 1784 opgericht in Edam.

Secretaris Willering is niet tevreden over de gang van zaken in het Nut. Hij wil met het Nut meer dan “het organiseren van een paar avonden in ‘De Waakzaamheid’,” zo formuleert hij op de bestuursvergadering van 11 februari 1929 (aanwezig 3 leden). Bijvoorbeeld een cursus ‘Eerste hulp bij ongelukken’ of een cursus ‘Esperanto’. Hij wil ook meer dan twee Nutsavonden per winter, vervolgt hij op 30 april 1929. De cursus Esperanto komt er niet wegens gebrek aan belangstelling, “zegge en schrijve vier leden.” De secretaris is verontwaardigd: ”Het misnoegen over dit aantal was zeker niet misplaatst.” Tijdens de winterlezingen van 1925/1926 zal “een wetenschappelijke film”, ‘Zomer’, vertoond worden. In het winterprogramma 1930/31 de Zuiderzeefilm van Joris Ivens.

Crisis
Ondertussen blijft het tobben met het ledenaantal. Dat loopt gestadig terug en dus komen de financiën onder druk te staan. Het is crisis. Zoals boven vermeld wordt in 1928 actie ondernomen: 70 potentiële leden in Koog en Zaandijk krijgen een circulaire toegestuurd die 32 nieuwe leden oplevert. En De Zaanlander komt te hulp in een recensie van een voorstelling van het Bouwmeester Ensemble op 15 november 1930 met de zinsnede: “Toch moeten wij oppassen ook het mooie dat ’t Nut geven wil, niet te verliezen. De afdeeling Koog-Zaandijk verdient werkelijk grootere belangstelling dan waarvan gisteravond blijk werd gegeven en het bestuur zal goed doen de bevolking er nog eens duidelijk op te wijzen van welke betekenis haar nuttige instellingen toch nog altijd is.”*

* Sinds 1916 toonde De Zaanlander belangstelling voor het Nut KZ. Op 12 september werd in de Nutsvergadering het verzoek van De Zaanlander behandeld voor een verslag “van datgene wat van belang is in het departement.“ Secretaris G. Meuleman zal een klein verslag schrijven, maar in het vervolg moet De Zaanlander er zelf voor zorgen.”

Dat is koren op de molen van secretaris A. van Scheyen, die in een ingezonden stuk in De Zaanlander met als titel ‘Een mooie avond van ’t Nut’ op 22 november 1930 reageert. Hij wijst nog eens op het belang en de doelstelling van ’t Nut: “Art. 1. Het doel der Maatschappij is algemeen volksgeluk te bevorderen. Te dien einde tracht zij mede te werken tot verbetering van den verstandelijken, zedelijken en maatschappelijken toestand van het volk, bepaaldelijk door invloed te oefenen op de opvoeding en het onderwijs, de veredeling van alle volksbegrippen en de verheffing zoowel van het arbeidsvermogen als van den levensstandaard. Art. 2. De Maatschappij streeft naar de bereiking van haar doel, onafhankelijk van eenige kerkelijke of staatkundige partij.” Voorts roept hij op lid te worden om zulke mooie avonden mogelijk te laten blijven in de toekomst. Hoogdravende taal, zou de doelgroep – in de praktijk de beter gesitueerde burgers – begrijpen wat bijvoorbeeld bedoeld wordt met ‘de veredeling van alle volksbegrippen’? Is niet een van de oorzaken van het teruglopen van de belangstelling dat het Nut er niet meer in slaagt die burgers duidelijk te maken dat het als organisatie belangrijk is? De activiteiten zijn te beperkt geworden om die burgers nog aan te spreken. Die vinden hun vertier ook buiten het Nut.

Sparen
Na het echec met de fraude bij de spaarbank in 1883 werd het reglement aangescherpt. Volgens Helsloot had het departement tien jaar nodig om het gat te dichten, omdat er geen reserve was.*

* Helsloot blz 60. Dat betreft dan de terugbetaling aan de heren E.G. Duyvis Pz en J.J. Honig die het tekort hadden aangevuld en aan leden die op voorstel van het bestuur een vrijwillige bijdrage hadden gedaan.”

Het Nut KZ wil herhaling in de toekomst voorkomen en schakelt daarbij het hoofdbestuur van de Maatschappij in. Op de vergadering van 15 april 1904 worden de conceptstatuten vastgesteld. De nieuwe statuten zijn een uitvloeisel van het spaarbankreglement van 1884 (!) “en dus zullen zich Commissarissen moeten gedragen naar art. 23 van dat reglement.” Het nieuwe reglement wordt met algemene stemmen aanvaard en koninklijke goedkeuring wordt aangevraagd via notaris Walig. En zie, geleerd uit het verleden, de rol van de commissarissen en de gang van zaken bij de inleg en het uitbetalen van spaargelden worden nauwkeuriger omschreven. Dat blijkt ook als het bestuur van het departement op 23 februari 1908 op uitnodiging van dat van de spaarbank het nieuwe spaarbankgebouw in de Spoorstraat (tegenwoordig Stationsstraat ) in Koog gaat bezichtigen: ”In dit gebouw is in toepassing gebracht ’t beginsel van geheimhouding, dat in ’t vroegere Spaarbanklokaal in ’t gemeentehuis, geheel ontbrak. Slechts één persoon tegelijk wordt nu aan de kas toegelaten, die later vertrekt door een andere deur dan waardoor hij binnen gekomen was.”


De Nutsspaarbank, Stationsstraat 54 in Koog aan de Zaan, in gebruik genomen 1 januari 1908.


Interieur van de spaarbank. Personeel achter het buro, klanten bij de kas. 1908-1930.

De spaarbank was sinds 1904 geheel zelfstandig, maar volgens het nieuwe huishoudelijk reglement moet een bestuurslid van het departement zitting hebben in het bestuur van de spaarbank, en vanaf 1917 heten de commissarissen voortaan ‘bestuurderen’. Financieel staan het departement en de spaarbank los van elkaar, maar op bestuurlijk niveau is er dus nog wel bemoeienis. Het is dan ook merkwaardig dat bij het feest van het honderdjarig bestaan van de spaarbank in 1919 het bestuur van het departement niet is uitgenodigd. Op de departementsvergadering van 15 juli 1919 in het spaarbankgebouw (!) komt dit uiteraard ter sprake. Zijn de besturen gebrouilleerd, daarom geen uitnodiging? Nee, zegt de spaarbank, “niet wegens gebrek aan welwillendheid, maar wegens gebrek aan ruimte.” Helsloot verklaart de houding van het bestuur van de spaarbank als het streven los te komen van het departement. Naarmate de bank groter werd nam dit streven – ook zakelijk noodzakelijk – toe. Meegespeeld heeft ongetwijfeld het feit dat de spaarbank jaarlijks een bepaald percentage van de gevormde reserve aan het departement moest overmaken.*

* Helsloot blz 88. Bij het honderdjarig bestaan van de spaarbank in 1919 is het hele bestuur van het departement niet uitgenodigd en niet, zoals Helsloot op blz 93 vermeldt, alleen de voorzitter die dan een geschenk mocht aanbieden. Die zal uit hoofde van zijn functie aanwezig zijn geweest; immers, volgens het nieuwe huishoudelijk reglement van de spaarbank had een lid van het bestuur van het departement zitting in het bestuur van de spaarbank (zie boven).”

De leesbibiliotheek
Tot 1908 ondergebracht in het doopsgezinde weeshuis aan de Schipperslaan in Koog aan de Zaan was de lees- of volksbibliotheek van meet of aan een groot succes. Het aantal lezers en het aantal gelezen boeken namen gestadig toe. Zodat het bestuur in juni 1871 tevreden vaststelt dat de ‘lust tot lezen’ is toegenomen en dat het volk de waarheid heeft ontdekt van de uitdrukking ‘kennis is macht’. In 1883 komt daar bij de viering van het vijftigjarig bestaan nog bij dat het na gedane arbeid met een goed boek aangenaam verpozen is. Toch is het niet allemaal pais en vree. Het hangt zoals altijd op de financiën, ook bij de leesbibliotheek. Het bestuur zint op maatregelen en komt op het idee aan crowd funding te gaan doen. De pedel zal rondgaan met een lijst voor bijdragen onder de bewoners van Koog en Zaandijk. Op die lijst zal worden vermeld dat er boeken zullen worden gekocht “in den geest van het Nut en bij genoegzame inteekening zullen ook boeken worden aangeschaft voor jongens en meisjes.” Het helpt niet veel, ook niet als een jaar later de commissarissen van de bibliotheek zelf gaan proberen geld in te zamelen. Het aantal lezers daarentegen blijft zich uitbreiden: in 1891 170 lezers die 4189 boeken lezen.*

* Het is bekend dat in Nederland in die tijd nogal eens besmettelijke ziekten als cholera, pokken en tyfus voorkwamen. Ook in de Zaanstreek kwamen deze ziekten voor. De laatste cholera-epidemie was in 1886. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat in het nieuwe reglement van de bibliotheek dat in 1891 in werking trad, een bepaling was opgenomen dat de commissarissen bevoegd waren boeken te weigeren aan huisgezinnen waar een besmettelijke ziekte heerst en boeken te verbranden die door hen gelezen zijn.”

Op de vergadering van 27 april 1896 (aanwezig 6 leden) komt dan ook ter sprake dat “het bestuur pogingen (moet) aanwenden bij het gemeentebestuur om in het weeshuis meer ruimte te krijgen voor de boeken der volksleesbibliotheek.” In 1908 verhuist de bibliotheek naar het spaarbankgebouw in de Stationsstraat in Koog. Hoewel er huur moet worden betaald, lijken de perikelen over het voortdurende tekort in de kas te zijn opgelost. Dit aspect komt in de notulen verder niet voor. Tussen 1908 en 1912 wordt de bibliotheek vermeld in een bericht aan het hoofdbestuur. Het aantal lezers schommelt tussen de 289 en 234, het aantal gelezen boeken tussen ± 14.000 en ± 9000.

125-jarig bestaan van het Nut KZ
In november 1913 bestaat het departement 125 jaar. Er komt een soirée, na loting (De Zwaan of De Waakzaamheid) vindt die plaats in De Waakzaamheid op 13 december 1913.


Jacob Honig Jz.Jr
Programma
1. Openingsrede door voorzitter G.J. Honig “met een terugblik op de afgelopen 125 jaren”;
2. Muziek of zang te geven door juffrouw de Klerck;
3. Voordracht met lichtbeelden “betreffende den Handel en fabriekswezen aan den Zaan door den heer Veen van Zaandam”;
4. Voordracht juffrouw Kroese;
5. Toneelstukje Welsprekendheid.

Leden hebben gratis toegang, anderen ƒ0,50, met z’n tweeën ƒ0,75, met z’n drieën uit één huisgezin ƒ1,00. In het nieuwe jaar brengt secretaris Snuif verslag uit: de kaartverkoop viel tegen, het aantal waarop gehoopt was, werd niet verkocht. Er is geen financieel voordeel. Ook de opkomst van het aantal herenleden viel tegen. De verhouding was 75% dames tegen 25% heren. Het programma verliep zoals het was opgesteld en de secretaris is er zeer tevreden over. Het werd alleen een latertje (24.00 uur), voor het bal na waren er nog slechts zeven paren over, zodat het werd afgelast.

Buitengebeuren
De periode 1914-1918 verloopt rustig in het Nut KZ. Niets uit de roerige buitenwereld dringt in de notulen door. Behalve dan dat de lezing van de heer Paardekoper uit Leeuwarden op 27 januari 1916 in De Waakzaamheid wegens de watersnood in de Zaanstreek niet kon doorgaan. Maar dat is dan ook een a-politieke gebeurtenis. In de jaren 1917 en 1918 tijdens de Eerste Wereldoorlog verslechtert de voedselsituatie in Nederland door toedoen van de geallieerden die geen voedsel willen leveren, omdat zij bang zijn dat dit zou worden doorgesluisd naar Duitsland. In Amsterdam breekt in juni 1917 het zogenaamde aardappeloproer uit dat door het leger op bloedige wijze (9 doden, 114 gewonden) de kop wordt ingedrukt. Het wordt onrustig in de politiek. Die onrust neemt in de volgende maanden toe met als hoogtepunt eind oktober, begin november: de voedselsituatie is nog meer verslechterd, onder de soldaten gelegerd in de Harskamp breekt een opstand uit vanwege het slechte eten en het intrekken van verloven. In Duitsland is het onrustig en in Rusland woekert de revolutie voort. De socialist Pieter Jelles Troelstra roept begin november op tot revolutie in Nederland. Een vergissing, het liep met een sisser af, Nederland was er niet rijp voor. Niets van deze roerige gebeurtenissen drong door tot de notulen. Het was bij het Nut business as usual.

Wereldcrisis
Na de politiek rustige jaren twintig luidt de beurskrach in New York in 1929 het begin van de economische wereldcrisis in met als gevolg grote werkloosheid. In Nederland bekend als de ‘crisisjaren’ die duren tot 1939. Invloeden van het buitengebeuren maken zich nu bemerkbaar in de notulen. Van 1932 tot 1934 werd in Genève een ontwapeningsconferentie gehouden om de angel uit de groeiende tegenstellingen in Europa te halen. Voorafgaand aan de conferentie was in Europa een beweging op gang gekomen die via één grote petitie de deelnemende landen opriep zich tot het uiterste in te spannen om tot een bevredigend resultaat te komen. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen besluit mee te doen. Alle departementen krijgen een schrijven van het hoofdbestuur om een ‘algemeenen Propaganda-avond te houden (…)op den zelfden dag.” De dag is 26 oktober 1931. Het Nut KZ houdt een algemene ledenvergadering, aanwezig 6 (!) leden. De voorzitter is teleurgesteld, hij had gezien de agenda een grotere opkomst verwacht. De motie voor de bewapeningsconferentie van het hoofdbestuur wordt besproken en met algemene stemmen aangenomen.*

* Deze beslissing is ook op zijn minst politiek angehauch. Helsloot blz 98 ziet deze actie als iets unieks in de Nutsgeschiedenis.”


De uitnodiging voor de vergadering van 26 oktober 1931. De agenda vermeldt de vaste vergaderpunten plus de ‘Motie Ontwapeningsconferentie’ van het hoofdbestuur.

In de crisisjaren komt de sociale kant van het Nut weer naar voren. KZ krijgt “een schrijven van het Hoofdbestuur betreffende inlichtingen naar de maatregelen, die er genomen zijn of zullen worden ter voorziening in de behoeften aan ontwikkeling der werklozen.” Het departement heeft niet stil gezeten: via bemiddeling van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling zijn de werklozen in de gelegenheid tegen een zeer gereduceerde prijs de cursusavonden van ‘ons Departement’ te bezoeken.*

* “Helsloot blz 97 ziet dat als gevolg van de toenemende concurrentie van protestantse en katholieke zijde op het gebied van de ontwikkeling en emancipatie van de arbeiders.”

Voorts: dat het Plaatselijk Crisiscomité in deze handelend optreedt en dat een lokaal in het Spaarbankgebouw gratis aan het Comité ter beschikking is gesteld “voor het zoowel nuttig als aangenaam bezighouden van jeugdige werkloozen, zoomede dat de gemeenten Zaandijk en Koog aan de Zaan hunne finantieele steun verlenen.” Het Nut KZ blijft verder de werklozen steunen. In 1935 krijgen het comité ‘Actie voor werkverschaffing Jeugdige Werkloozen’ en het ‘Werkloosheidfonds Zaanstreek’ elk ƒ20, want “het steunen van een dergelijke instelling ligt op de weg van het Nut.”*

* Die jaarlijkse subsidie bleef tot en met 1945 gehandhaafd. In dat jaar werd de ‘Stichting Werkloozenwerk Koog-Zaandijk’ opgeheven. Wel werd zij met ingang van 1940 verlaagd tot ƒ15 en uitgebreid met de ‘Werkloozen Naaivereenigingen’ van Koog en Zaandijk met elk ƒ10. Zie voor het ‘Werkloozenwerk’, Helsloot blz 101.”

Boekingskantoor
De notulen van de dertiger jaren overziende, kan niet anders worden vastgesteld dat het Nut KZ is verworden tot een boekingskantoor voor lezingen, films en toneelvoorstellingen. Wat komt er zoal voorbij? Een greep: in 1932 “een filmvoorstelling van de Nutsfilmdienst in de bioscoopzaal van Oenen”; in 1933 een lezing over “Het hedendaagsche documentenonderzoek, de ultraviolette- en infrarode stralen in hunne toepassing daarbij, toegelicht door demonstraties met ultraviolette stralen en lichtbeelden.” In 1934/35 de film ‘Wonderen der Natuur’. In 1936 een ‘vrolijke’ avond met het ensemble ‘De Vrolijke Spelers’ en een lezing over de Spaanse Revolutie. Voor 1937/38 staan Julia de Gruijter en Rien van Noppen met een avond van ‘Vlaamse Humor’, Brugmans Matrionettentheater met een Faustprogramma en het tweede deel van de film ‘Wonderen der Natuur’ op de rol. In 1939 een lezing met lichtbeelden over Mexico. Een gevarieerd programma dus. Toch klinkt op de bestuursvergadering van 11 september 1933 kritiek: “Het geven van comedie-voorstellingen en dergelijke (ligt) niet op den weg van het Nut, doch dat meer het houden van nuttige lezingen en voordrachten de voorkeur verdienen.”

Bij spiegeling aan de doelstelling* die secretaris Van Scheyen in zijn ingezonden stuk in De Zaanlander van 22 november 1930 nog eens vermeldde, kan een kritische waarnemer zich aan het eind van het decennium niet aan de indruk onttrekken dat theorie en praktijk wel erg ver uiteenliggen.

* Art. 1. Het doel der Maatschappij is algemeen volksgeluk te bevorderen. Te dien einde tracht zij mede te werken tot verbetering van den verstandelijken, zedelijken en maatschappelijken toestand van het volk, bepaaldelijk door invloed te oefenen op de opvoeding en het onderwijs, de veredeling van alle volksbegrippen en de verheffng zoowel van het arbeidsvermogen als van den levensstandaard”

De Nutsavonden mogen dus niet te licht, maar moeten vooral ‘nuttig’ zijn. Nu is nuttig een rekbaar begrip en uiteraard heeft bijvoorbeeld een lezing over ultraviolette en infrarode stralen nut. Maar voor wie? Wordt het volk hier gelukkiger, zedelijker, (misschien wel) verstandiger van? Gaat het harder werken en wordt het leven beter?*

* Helsloot blz 96 merkt op dat er juist een nieuw publiek (was) ontstaan voor volwassenen-edukatie Het hoofdbestuur zou af willen van de (gesubsidieerde) lezingen voor eigen kring, die eigenlijk bedoeld waren voor mensen buiten het Nut en die verworden waren tot gezellige bijeenkomsten. Ervoor in de plaats moesten studieklubs met bevoegde leiders of volksuniversiteiten komen. Uiteraard stuitte dat op weerstand bij de departementen.”

Het Nut KZ is – zoals al eerder vastgesteld – een culturele organisatie geworden; wat het als zijn taak zag, is inmiddels overgenomen door de landelijke en gemeentelijke overheid. Wat meer in de richting van de oorspronkelijke doelstelling komt, zijn de financiële bijdragen aan diverse organisaties ter verlichting van de situatie van de werklozen in de crisisjaren. Zoals boven vermeld, zag het Nut zelf dat ook zo.

Feest
Het wordt allemaal minder. De leesbibliotheek bestaat in 1933 honderd jaar; in 1934 bestaat de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen 150 jaar. KZ stuurt op verzoek foto’s van het spaarbankgebouw voor het gedenkboek en geeft een bijdrage voor het feest van ƒ2,50 (!). In november 1938 bestaat het Nut KZ zelf 150 jaar. Het gaat gevierd worden met een toneelavond met het gezelschap van Jan Musch en Frits Bouwmeester. Uitgenodigd worden een lid van het hoofdbestuur, de commissarissen van de spaarbank en de besturen van Koog en Zaandijk. Hoe de avond verlopen is, wordt niet vermeld. Dat geldt ook voor de Nutsavonden.


De begroting van het boekjaar 1938-39. ‘Quotum’ is de afdracht aan het hoofdbestuur van de Maatschappij

Financiën
Wil het Nut KZ blijven voortbestaan – in de praktijk betekent dat het organiseren van culturele activiteiten – kan het niet genoeg leden hebben. Immers, de inkomsten komen uit de contributie van de leden, die nog steeds ƒ3 per jaar bedraagt. Hiervoor kunnen de leden èn hun gezinsleden gratis de Nutsavonden bezoeken. Het werven van nieuwe leden keert dan ook regelmatig terug op de vergaderingen. Zo gaat KZ op aandringen van het hoofdbestuur in oktober 1933 een circulaire samenstellen “waarin het doel en het streven der Maatschappij wordt aangetoond.” Bewoners van Koog en Zaandijk die geen lid zijn, krijgen de circulaire in de bus. De actie leverde 10 nieuwe leden op. In de dertiger jaren is het ledenaantal 95 in 1932 en dat loopt op tot 111 in 1939. Voldoende inkomsten dus; daar komt nog bij dat het Nut KZ jaarlijks een subsidie van ƒ200 van de spaarbank krijgt. In die jaren is er altijd een batig saldo. Van een kwijnend bestaan kan dan ook geen sprake zijn. Die kwalificatie is wel van toepassing op het bezoek van de algemene ledenvergaderingen. Dat is gemiddeld 6 met als dieptepunt 3 (en dan nog alleen bestuursleden) op 6 mei 1931 en als hoogtepunt 10 op 9 november 1938.

Peter Luijsterburg

Bronnen
Notulen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, departement Koog Zaandijk, 1788 – 1976.
Gemeentearchief Zaanstad PA-0009
Collectie afbeeldingen gemeentearchief Zaanstad.
P.N. Helsloot: Emancipatie in de Zaanstreek. Twee eeuwen Zaanse Nutsdepartementen, Zaandijk 1991