Verhalen van vroeger

Een jongetje uit de Jan Bestevaerstraat

In een boekje over oude ansichtkaarten uit Koog a/d Zaan ontdekte ik een foto van de straat met daarop mijn ouderlijk huis waar ik in 1945 geboren ben. Dat riep bij mij herinneringen op uit mijn prille jeugd en de gedachte dat er heel veel is veranderd.

De Jan Bestevaerstraat was toen een smalle doodlopende straat die eindigde met een houten hek voor een sloot. De voorgevels lagen aan de straat en alle huizen hadden een achterom door een smalle steeg naar de tuin achter het huis die eindigde in een sloot. Daardoor was de straat een soort schiereiland aan de Lagedijk. Deze korte beschrijving zou kunnen leiden tot de gedachte dat er in zo’n doodlopende met water omringde straat weinig gebeurde, maar niets is minder waar.

Zakkenhandel
Leveranciers, venters en andere dienstverleners kwamen aan de deur of probeerden luidkeels roepend de mensen naar buiten te lokken. Denk daarbij aan: groenteboer, bakker, kruidenier, slager, kaasboer, contributieloper, schillenboer, melkboer. Er waren ook bedrijfjes, winkels en ambachtslieden in dat kleine straatje: een verfspuiterij, een cartonnagefabriek, een schoenmaker, een scheepswerf, een grossier in zoetwaren, een kruidenier, een groenteboer, twee boerderijen, een zakkenhandel, een aannemer, een voddenboer en een petrolieboer. Het was een straatje van slechts 270 meter lang met 70 postadressen!

De straat werd bewoond door arbeidersgezinnen waarvan de kost- winners veelal werkten bij de olie en veekoekenfabriek van Duyvis of bij de zetmeelfabrieken van Honig, ook wel ‘de Bijenkorf’ genoemd. Vele daar werkende arbeiders hadden bijnamen als De neus, De kropbol , De bok of De spin. Daar werden zij niet mee aangesproken, maar die naam werd wel gebruikt als er over hen werd gepraat.

Vollek
Midden in de week kwam er vast bezoek van de slager en kruidenier die kwamen “vragen”. Zij waren gekleed in een keurig gesteven en gestreken kort katoenen jasje, de kruidenier in het beige en de slager in het wit. Zij liepen met de roep “vollek” rechtstreeks via het achterom het huis in tot de huiskamer en gingen daar zitten op een stoel die net naast de kamer- deur stond.

Eerst kwam er een opmerking over het weer, een nieuwtje uit de buurt of over ziek en zeer. Dan vroeg de kruidenier naar het boekje, klein en met een harde kaft, waarin mijn moeder door de week de boodschappen opschreef die zij nodig dacht te hebben.

Opschrijfboekje
Na een korte blik in het boekje begon de kruidenier de waren uit zijn winkel op te sommen en als mijn moeder hem dan onderbrak werd de kwaliteit, prijs en hoeveelheid besproken en vervolgens in het boekje genoteerd. De slager begon na zijn inleiding te melden wat zijn resultaat was van de maandagse slacht en vroeg wat mijn moeder daarvan wilde hebben. Zonder iets op te schrijven vertrok hij, alles zat in zijn hoofd. In de loop van de zaterdag werden beide bestellingen bezorgd (daar zat altijd wat lekkers voor mij bij!) , het verschuldigde bedrag stond in het boekje en werd gelijk afgerekend of gepoft. Het boekje diende ook als boodschappenlijstje. Als klein kind werd ik met het boekje om een boodschap naar kruidenier en slager gestuurd. Zo’n klein kind werd in de Zaanstreek een ‘besteltje’ genoemd.

Onderscheid
Er was een onderscheid tussen de bewoners van de paden en de dijken. De dijken lagen langs de Zaan en dit waren de eerst bewoonde plekken in het zompige Zaanse land. Ze hadden namen als Lagedijk, Hoogstraat, Oost- en Westzijde. oor de groei van de bevolking en de industrie werden de dijken volgebouwd en verdere uitbreiding vond plaats door het stichten van paden die loodrecht op de dijken stonden.

Deze paden werden bewoond door arbeiders. De meer gegoeden bleven aan de dijk wonen wat duidelijk te zien was aan de aard van de woningen. Daardoor ontstond er een sociaal verschil dat in mijn jeugd nog duidelijk merkbaar was, niet alleen in materiële zin, maar ook bijvoorbeeld in de schoolkeuze. De dijkkinderen gingen voor het voortgezet onderwijs als het enigszins kon naar de HBS, Handelsdagschool of MMS; de padkinderen gingen naar de ambachtschool, ULO of ze gingen werken.

Onbewoond
Van al het bovenstaande is weinig meer over. Ik denk dat ik tot de laatste generatie behoor die nog iets geproefd heeft van deze in de zestiende en zeventiende eeuw ontstane sociale geografie. Het gebied van wat nu de Zaanstreek heet is tot de in de vijftiende eeuw praktisch gezien onbewoond geweest. De eerste bewoners kwamen uit de richting Velsen en Heiloo die door de hogere ligging en de zandbodem al veel eerder bewoond waren. Koog aan de Zaan is ontstaan uit Zaandijk dat is gesticht in 1494 door Hendrick Pieter bijgenaamd Oud Hein, die daarvoor van schout en schepenen van de Banne Westzanen toestemming kreeg. Zaandijk heeft zich later zuidwaarts uitgebreid, dat deel werd Koog (naam van een onbedijkt stuk land) genoemd. In 1721 kwam er onenigheid over financiën; Koog en Zaandijk zijn zelfstandig verder gegaan. In de gouden eeuw zijn Koog en Zaandijk tot bloei gekomen en in deze tijd zijn de voornoemde paden ontstaan.

Volksmond
Het ontstaan van een pad begon doordat er over de wegsloot een of meerdere huizen werden gebouwd. Meestal werd tegelijkertijd een brug gebouwd. De naamgeving van het pad ontstond in de volksmond, ontleend aan bijvoorbeeld de molen die aan het einde stond, het beroep van de meeste padbewoners of de eerste bewoner van het pad. Eerst heette de Jan Bestevaerstraat het Piet Tuinenpad ontleend aan de eerste bewoner, die Piet Krom heette en een grote boomgaard had. Later is de naam gewijzigd in Bestevaerspad; bestevaer betekent hier “beste vader”.

De bewoners van een pad hadden een aantal gemeenschappelijke belangen waaronder het onderhoud van de brug en walkanten, het uit- diepen van de sloten, soort en afmetingen van de bestratingen en het onder- houd daarvan. De kosten werden op de bewoners omgeslagen. Ook werden er verbodsbepalingen in opgenomen voor het weren van hinderlijke bedrijvigheid als traankokerijen en leerlooierijen en het ont- zeggen van de toegang voor “bullelopers” : zij gingen met een volwassen stier aan een touw de boeren langs.

Padregelement
Al deze geboden en verboden werden opgenomen in een padregelement dat notarieel werd vastgelegd. Bij aan- en verkoop van een huis aan het pad werd in het contract vermeld dat het huis viel onder de padorder. De leiding van het padbestuur werd opgedragen aan een opziener of administrateur die in de volksmond ‘padheren’ werden genoemd. Eens per jaar kwamen de padbewoners bij elkaar, tijdens deze ‘comparitie’ werd het uitgevoerde beleid van de padheren besproken en nieuw beleid en nieuwe padheren benoemd. Het afsluiten van de comparitie werd veelal gevierd met spijs en drank.

Overbodig
Doordat de gemeenten het onderhoud van bruggen, wegen en wateren overnamen en gemeentelijke verordeningen delen van het pad- regelement vervingen, zijn die in de negentiende eeuw overbodig geworden. Het oorspronkelijke padregelement van de Jan Bestevaerstraat is van 1754 en is in het notariële deel van het Zaans archief aanwezig. Toch zijn er gezien de instelling van mijn overgrootmoeder, mijn oma en mijn ouders nog gebruiken en verplichtingen overgebleven die wortelen in ‘het pad’. Het straat schrobben op luilak, de zorg op je nemen voor zieke of oude buren, andermans kinderen wegsturen van sloten en ander gevaar, kattenkwaad beëindigen door te roepen “Jonges nou breekt het af !!” Als je dat negeerde, was je vader daar al van op de hoogte als je thuis kwam. De padgemeenschap komt niet meer terug, maar deze terugblik met de ogen van nu geeft toch te denken.

Gerard Woudt