Piet Hein Zijl

Kluif geluk dus

Piet-Hein Zijl schreef verschillende gedichten. Hier een gedicht over zijn woonomgeving in het AB en hetzelfde gedicht in het Zaans.

grotbewoner zijnde bij mijn ouders bezat ik nog weinig territodrift
in de periferie met wei rondom vee vogels verward noch benard
hoewel te verdwalen in het ondiep labyrint als roeier schaatser

de vuilnisbelt tussen volkstuintjes en begraafplaats walgt weg
dan met gezinnetje een nieuwbouwflat in de wijk dijt uit gedijt
hap erin of eruit we werden deel van wat tot volle leegte dreigt

vervolgens de broekriem nog wat ruimer voor bijpassing van
gemeentetempel verpleeghuis daar ging mijn moeder wonen
ik lees er sinds haar dood de krant voor alweer een hechting

zou moeten zwijgen maar kan niet langer zonder wat er is
zie besmuikt uit over kragen door de westenwind gekamd
omarm stoer mijn hele erf en zet her en der de bakens uit

naast gepleegd genot is er geplengde snot want daar ligt mijn
jeugd daar waar ik grotbewoner was en waar wat vrouwen
prehistorisch maar jong van geest vrijuit aangesproken deinzen

maar wie bent u dan?

op het noemen van mijn naam komt de zon tevoorschijn
bestreelt nostalgiek mijn buurt van zo?n driekwart eeuw
infuus aan warme boezems door de herkenning in hun

ach…

kluif geluk dus net op tijd vanwege al nog te begane eeuwigheid

’n waik op zedaik

grotbewoonder zainde bai main ouweleu beza ?k nog waineg territo drift, in de periferie met wai
en blubberege plomperd (weer je zo in ken kukele) rondom, vee en vogels verward noch benard
de boere aiff en krait en de kluft bai pampiermole de skoolmeester stikkie verbai: et wessaier veld
tot ane de ainder, ziene er tulte gladore en kroosdoikers, ok derleu hoize en veeboerderaie

allegaar op een rai, kraig temet een staive (nek) ven ?t rondkaike (frans mars het zuks as panorama
mesdag-met-moles gnappies skilderd om ?t echie, ezien in raik meseumpie) hoewel oitkaie want
me kenne met binsterege fleke zo ven ze trammetane rake in ?t vloke labyrint, as skaatser zainde

de vullesbelt tusse volleksteuntjes en begraafplaats wallegt weg, den droisteg, niet gelaik met
een skarrel maar met me sketeg meukele maissie (gien onkege) nieuwbouwflat in, de waik dait eut, gedait
hap d?r in of d?r eut, me benne aisie lidderend en al deel eworre weest ven wet tot volle leegte draigt

vervolleges de broekriem nog wet roimer voor baipassing ven gemeentetempel en verpleeghois
deer gong me moeder wone, ik lees er sinds d?r dood de krant voor, gelaik alweer een hechtingkie
?n deer aanesproke krakkemikkege juut, koppie in de tist, otjemedor maar niet heus kloeg stante pede
en steggele teuge main persoontje as ?n vaifteg jare trug toenk teuge de vaiftien wazze, skaverotteg zat

zou moete zwaige maar ken niet langer zonder wet er stane, zie besmeukt maltenteg eut over krage
ven riet deur de westewind ekamd, omarrem kneerteg main heule erref en zet her en der de bakes eut
naast ?pleegd genot is d?r ?plengde snot (kwail en slaim) want deer legt ok main jeugd, deer waar ik
grotbewoonder wazze, te warskip, en waar wet zedaiker waive, prehistories en met love biene
maar froiteg ven geest, effe te familiair deur main aanesproke, eskrokke en achterkouseg dainze

maar wie bent aº dan?

op ?t noeme ven main naam komp et zontje ven inverdan te voorskain bove main bloedaige stikkie durrep:
rooswaik
op zedaik tusse spoor en wessane, bestreelt nostelgiek me tjadde buurwaifies ven toen in me buurt
ven driekwart eeuw, me benne hiero subiet op me roiker, voel soortement ven fukkende klossebak
noselijk meskien? nou zeker niet ?t is ket hewwe, deuze krentekakker en heutemeteut legge gelaik
ampart fnisterd, an ?t infuus ven machteg warreme boezems, deur de grozege herkenning in derleu

ach…

evegoed laiken et perslot lenegies an puur zo puur op taid, vewege alle nog te gane eeuweghaid