Industrie

N.V. Oliefabrieken T. Duyvis Jz. 1909-1959 (1)

De redactie van “Onze Pers”, het personeelsorgaan van N.V. Oliefabrieken T. Duyvis Jz.. heeft ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van de heer T. Duyvis EGz. in 1959 in het kort de geschiedenis van het bedrijf van 1909 tot 1959 vastgelegd.


Luchtfoto uit 1959 van het fabrieksterrein van N.V. Oliefabrieken T. Duyvis Jz. in Koog aan de Zaan

Zo was het aan de Schipperslaan in 1909


Zo zag de fabriek in 1905 eruit het jaar dat de heer T. Duyvis Jz. (rechtsboven) zijn intrede deed in het bedrijf.

De stenen schoorsteen stond op de plaats waar nu machinekamer en ketelhuis aan elkaar grenzen. Achter de schoorsteen staat tank 1 en rechts van de schoorsteen staat het pakhuis “Congo”, waarachter nog juist het dak van de oude oliefabriek “De Zaan” zichtbaar is.

Het grote houten pakhuis midden op de foto is het zaadpakhuis “De Olifant”, dat doorliep tot aan de Zuiderhaven. In het huis daarnaast woonde vroeger de moeder van de heer R. Abercrombie Jr., die de heer H. van Dijk als procuratiehouder opvolgde. Rechts daarvan een huisje waarin de jubilaris het eerste laboratorium stichtte. Daar experimenteerde de heer T. Duyvis EGz. zelf op bescheiden schaal. Er was zelfs een vacuumleiding in de straat gelegd die van de luchtpomp van de stoommachine naar dit laboratorium leidde. De daken rechts op de achtergrond zijn die van pakhuis “De Steenklip “(nu Nieuw-Gambia) en pakhuis”De Posthoorn “(na de brand in april 1950 kwam daar de oosthelft van pakhuis”Niger”).


De heren E. G. Duyvis en C. Smit Pz. op de”Zuidergang”

Zuiderhaven vóór 1914


Geheel rechts het koekenpakhuis”Wolga”. Op deze plaats staat nu de levensmiddelenfabriek “1950”. Naast “Wolga “achtereenvolgens het “Oude Oliehuis “en de “Oude Fabriek”. Deze vormen nu samen het pakhuis “Zaan”. Geheel links is op de foto het zakkenpakhuis “La Plata “zichtbaar. Het werd enkele jaren later overgenomen van de firma Van Calcar en als raffinaderij ingericht.

De “Oude Fabriek “was oorspronkelijk de stijfselfabriek van de firma Avis. In 1880 kwam dit stijfselfabriekje in bezit van de firma T. Duyvis Jz., het werd toen verbouwd tot oliefabriek. Voordien werkte de firma met 6 oliemolens, die samen een capaciteit hadden van ca. 2400 ton lijnzaad en koolzaad per jaar, terwijl bovendien een pelmolen werd geexploiteerd. Deze molens, waarvan afbeeldingen in de gang van het kantoor hangen, werden, op “De Poelsnip “na, in 1880 verkocht.

De oliefabriek die in dat jaar voor de molens in de plaats kwam werkte met aftagepersjes, volgens het Anglo-Amerikaanse systeem. Dat was voor die tijd iets geheel nieuws. Alle oliefabrieken aan de Zaan werkten voornamelijk nog met “heien “(rampersen) precies zoals de Zaanse molens reeds ongeveer 300 jaar hadden gedaan.

De “Oude Fabriek’ had een capaciteit van ca. 100 ton per week en men verwerkte uitsluitend lijnzaad (lijnolie) en koolzaad (raapolie). De olie werd in het “Oude Oliehuis “opgeslagen in bakken, na eerst te zijn gefiltreerd in zakfilters. In 1910 werd de opslag van ruwe olie uitgebreid met tank 1 die nog steeds dienst doet als opslagtank, zij het dan voor stookolie.

In “Werk D” was destijds een malerij ondergebracht. Met behulp vanéén stel kantstenen werd lijnmeel gemalen dat in zakken werd afgeleverd. Verder leverde men als veevoeder ook”murwe koeken “(zachte koeken) af. Deze verkreeg men door vette voorslagkoeken onder kantstenen te malen en het meel vervolgens opnieuw te persen onder lage druk. De naslagpersen leverden murwe koeken van hetzelfde model als de voorslagkoeken. Ze werden dan ook met een cirkelzaag verzaagd tot trapeziumvormige kleinere koeken, waarna de korte kanten werden gesneden. Trapeziumvormig omdat de koeken uit de oliemolens ook aan de ene korte kant smaller waren dan aan de andere.

Automatische naslagpersen ontworpen door P. M. Duyvis & Co. (de z.g.”automaten”). De twee eerste kwamen in de noordhelft van “Werk D “te staan, nadat de oude stoommachine daaruit verdwenen was.

Deze automaten maakten de murwe koeken ook aan de ene korte kant smaller dan aan de andere. Men ging met het namaken van het produkt van de oliemolens zelfs za³ ver, dat in de vormen het patroon van het weefsel van wollen persdoek werd geintimiteerd!

De twee stenen geveltjes links van “Werk D “zijn die van het “Nathuis “(een naam ontleend aan de stijfselfabricage). Achter dit “Nathuis”, dat voor opslag diende, is een stuk van het zaadpakhuis “De Olifant “zichtbaar. Links daarvan het zaadpakhuis “De Kuiper”. De grondstoffen werden destijds in balen aangevoerd en de pakhuizen binnen gedragen. In de pakhuizen werden de partijen los gestort tussen afscheidingen (uit kas(t)houten).

In de tijd waarin deze foto is genomen bestond het personeel uit nog geen 50 man (kantoor meegerekend). De werktijden waren veel langer dan tegenwoordig: in de fabriek werkte men in twee ploegen van 12 uur.

Bouw van “Het Silo” in 1914

De export van olien breidde zich voor de eerste wereldoorlog meer en meer uit. Daardoor ontstonden plannen tot uitbreiding van het bedrijf, dat sinds 1880 nauwelijks verandering had ondergaan. Net voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog had men deze zaak groots aangepakt en de bouw van een silo aanbesteed. Het was in die dagen een geweldige onderneming om zo’n groot en hoog gebouw te maken! Het was het eerste gebouw op het vasteland van Europa dat gebouwd werd volgens het “mushroom-systeem”, waarbij kolommen, vloeren en muren één constructief geheel vormen.

De fabriek in 1915

De silo is gereed gekomen en het pakhuis “De Olifant “is verdwenen. Ook pakhuis “Congo “is afgebroken, maar dit is daarna aan de andere kant tegen de silo herbouwd met geheel stenen gevels, als extra zaadpakhuis. Door twee valpijpen konden oliezaden, die met de elevator werden gelost, via de silo in “Congo “worden gestort. Links van pakhuis “Congo “ligt de “Engelse Tuin “achter het nieuwe kantoor. Dit nieuwe kantoor, dat in 1914 in gebruik werd genomen, was gevestigd in het vroegere weeshuis van de Doopsgezinde Gemeente. Het was een zeer oud houten gebouw en stond naast het tegenwoordige transformatorhuis. Het is afgebroken om plaats te maken voor het gebouw van de technische dienst. Geheel links het zakkenpakhuis “La Plata”, dat nog niet tot het bedrijf behoorde.

De oude stoommachine van 1880


Deze machine stond in de noordelijke helft van “Werk D “en had een vermogen van 150 pk. Achter de stoommachine is nog juist de antieke (i-plunjerpomp zichtbaar die zorgde voor hoge en lage druk op de persen in de “Oude Fabriek”. Terweerszijden van de machine, die in 1915 werd gesloopt, staan B. Prins en T. Boot.

De nieuwe stoommachine van 1914


In 1914 werd een stoommachine van 600 pk geplaatst, die na vele jaren trouwe dienst in 1958 het lot van zijn voorganger moest delen. Voor deze machine werd de tegenwoordige machinekamer gebouwd op de oude plaats van pakhuis “Congo”. De stoominstallatie bestond destijds uit een lancashire- en een cornwall-ketel in het oude ketelhuisje. Tussen machinekamer en silo verrees een was-, kleed- en schaftlokaal, waar men in die tijd met recht trots op kon zijn. Toen werd aan dergelijke voorzieningen in het algemeen weinig aandacht besteed. Kleding werd meestal in een niet al te stoffig hoekje van een pakhuis opgehangen en van het begrip kantine was nog geen sprake.

Fabriek “1916′ is verrezen


Deze foto is omstreeks 1920 genomen. De eerste wereldoorlog was voorbij en de zaken breidden zich weer uit. In tegenstelling met tegenwoordig was de verkoop van de koeken bepalend bij het zaken doen. De veevoederafdeling, die onder leiding kwam van de heer A. Schipper Jz. was daarom zeer belangrijk. Er stonden twee naslagautomaten in “Werk D “en er kwamen er twee bij in 1911. Verder bestond “1916 “uit een perserij (“ž,oost”), waarin 4 kuippersen, waarmee een produktie werd bereikt van ca. 250 ton lijnzaad per week.

De oude fabriek omstreeks 1920

Voor de “Oude Fabriek “waren direct na de oorlog een nieuwe automatische koekenvormmachine en een (randen-) snijmachine besteld. Hiermee werd de perserij van de “Oude Fabriek “gemoderniseerd met als resultaat dat de produktie steeg tot ca. 250 ton lijnzaad per week. Naast lijnzaad als belangrijkste grondstof, werd in de zomermaanden vaak koolzaad (raapolie) verwerkt.

Bij wijze van proef werd vrij kort na de eerste wereldoorlog een Andersonwringer in het “Oude Oliehuis “geplaatst, waarmee koolzaad werd verwerkt. In de “Oude Fabriek “kon men ook grondnoten verwerken. Deze kwamen ongepeld aan en boven in de oude fabriek stond een bescheiden pelinstallatie.

Omstreeks 1924 werd “1916 west “ingericht met 8 persen voor de verwerking van gepelde grondnoten. Deze werden in de etagepersen in twee keer geperst en de produktie van deze tweede perserij in “1916 “was dan ook slechts ca. 60 ton grondnoten per week.

Al spoedig kwamen er wringertjes boven in “1916”, waardoor de capaciteit van “1916 west “na veel experimenteren steeg tot 300 ton grondnoten per week. “1916 oost “bleef lijnzaad verwerken met de kuippersen tot het jaar 1930.

Eerste luchtfoto gemaakt in 1922

In 1922 werd de firma T. Duyvis Jz., waarvan E. G. Duyvis Tz. en T. Duyvis EGz. firmanten waren, omgezet in een Naamloze Vennootschap.

Op de luchtfoto is te zien hoe het oude ketelhuisje belangrijk werd vergroot en verhoogd in verband met de aanschaf van de eerste waterpijpketel, die een verwarmend oppervlak had van 209 m2 en een werkdruk van 12 Ato. De oude lancashire-ketel van 1905 (V.O. 90 m-, 12 Ato) bleef op de oude plaats nog jaren in bedrijf.

De stenen schoorsteen werd tegelijkertijd vervangen door een ijzeren, met meer trek, die nu nog op de zelfde plaats staat, doch sindsdien drie maal werd vernieuwd (1932-I947-I957). In 1919 was het zakkenpakhuis “La Plata “iets verhoogd en ingericht tot raffinaderij, die eerst verhuurd was aan de firma Cohen en Van der Laan. Al in 1920 brak deze verbintenis af en raffineerden wij zelf met een capaciteit van ca. 50 ton per week. De olie werd daarbij met handkracht opgepompt in een 5-tons neutraalketel. Verder beschikte de “Raffi “toen overéén was- en droogketel en één bleekketel, die nu nog aanwezig zijn in “1935”. De stomerij bestond uit twee 41-tons stomers. Rechts van de “Raffi “het houten pakhuis “Walvis “dat lang heeft dienst gedaan als vetzuur-splitserij.

Op de luchtfoto is verder te zien dat het oliehuis “Gambia “net is gereed gekomen tussen de houten pakhuizen “De Steenklip “en “De Posthoorn”. Dit oliehuis diende voor de opslag en de aflevering van raffinade.

Zowel ruwe als geraffineerde olie werd toen nog voornamelijk in gekuipte houten vaten afgeleverd. Onze vaten waren helder blauw met witte bodems. De merken op de bodems werden met een brede platte kwast met de hand geschilderd. De opening (“het spongat”) werd gesloten met een houten prop, omvat door een stuk gonjezak of een lap filterdoek die later rondom werd afgesneden. Daarna werd over de sluiting een zogenaamd “bondel-blik “gespijkerd.

Op deze luchtfoto is verder “New York “duidelijk te zien, dat toen nog puddingfabriek was en niet aan ons toebehoorde. Het pakhuis “Koog “rechts daarvan diende als vatenopslagplaats. In 1938 is het vervangen door pakhuis “Rijn”.

Verkoop van Veevoeder in Friesland

Omstreeks 1925 werd een veevoederpakhuis in Leeuwarden gebouwd. De verkoop van veevoeder had een flinke vlucht genomen en hoewel de afnemers over het gehele land verspreid waren, stond Friesland als afzetgebied op de voorgrond. Het plaatje laat duidelijk zien dat het veevoer als merkartikel werd gebracht. Zelfs de voorslagkoeken droegen stuk voor stuk een etiketje “TD”. “Te Duur “spotten sommige concurrenten. “Traditioneel Deugdzaam “zei de oude heer E.G. en als hij zijn rondje door de fabriek maakte keurde hij de murwe lijnkoeken door er twee iets van elkaar te houden en in de zo ontstane opening te ruiken. En o wee als er iets mis was met de geur of met het uiterlijk. Dan frommelde hij driftig aan zijn horlogeketting en kreeg de schuldige een uitbrander die niet mis was!

Het nieuwe pakhuis “Wolga”, gebouwd in 1926


Op deze foto, genomen in de strenge winter van 1929, is het veevoederpakhuis Wolga te zien in zijn oorspronkelijke staat. In 1950 zijn er grote ramen in gemaakt en is het levensmiddelenfabriek geworden.

Voor “Wolga “werd gebouwd had men erg met ruimtegebrek te kampen, omdat steeds oude houten pakhuizen het veld hadden moeten ruimen voor fabrieksuitbreiding. Geheel rechts is pakhuis “Koog “nog te zien en geheel links pakhuis “De Steenklip “dat later plaats heeft gemaakt voor “Nieuw-Gambia”.

Op deze foto is tevens te zien hoe de gevels van het “Oude Oliehuis “en de “Oude Fabriek “in 1927 werden samengetrokken en verhoogd (direct links van “Wolga”). Dit was nodig omdat in de “Oude Fabriek “een hoge zesvoudige meelketel werd geplaatst met een nieuwe vormmachine. Bovendien werd de lakolieafdeling, die van koudgeslagen lijnolie lak- en verfolien maakte, steeds belangrijker. Hij was gevestigd op de bovenste verdieping van het “Oude Oliehuis”.

Bouw van fabriek “1928”

Dit was het eerste gebouw van het complex dat geheel als staalskelet werd opgetrokken, waarna de vakken tussen de balken met ramen en metselwerk werden opgevuld. De fabriek werd speciaal ingericht voor de verwerking van lijnzaad en startte in het begin van 1929, dus juist voor het uitbreken van de crisisjaren. De capaciteit was toen ca. 250 ton lijnzaad per week.

In 1930 werden in deze fabriek de eerste grote lijnzaadwringers opgesteld (capaciteit 1500 kg per uur). Met deze wringers werd het lijnzaad vóór het persen koud geslagen en de eersteklas olie, die daarbij verkregen werd, diende als grondstof voor de lakoliefabricage.

Toen, door de slechte jaren, de verwerking van lijnzaad “geen rekening meer kon velen”, werd begonnen met het verwerken van grondnoten. Daartoe werd het aantal wringers in “1928 “uitgebreid, hetgeen alleen mogelijk was door ze op een bordes te plaatsen. Voordien stonden ze op de begane grond onder het bordes, oorspronkelijk de plaats voor de snijmachine.

Omstreeks 1930 voltrok zich ook een ingrijpende verandering in “1916 oost”. De kuippersen werden tot etagepersen verbouwd (34 koeken!) en er werden persen bijgeplaatst, zodat deze perserij geheel gelijk werd aan “1916 west”. Geheel links op de onderste foto de “Raffi “(“La Plata”).

De capaciteit was in de afgelopen 10 jaar, door bescheiden uitbreidingen in de installatie, door werken in ploegen en door verbeteringen in de werkwijze, gestegen tot circa 200 ton raffinade per week.

Pakhuis “Congo “wordt fabriek “1930”

In de veevoederafdeling begon zich omstreeks de crisisjaren een omwenteling te voltrekken. Nadat men altijd zuivere lijn- en grondnotenkoeken aan het vee had gevoerd, ging men langzamerhand meer waarde hechten aan mengvoeders, die uit verschillende soorten koeken werden samengesteld, soms onder toevoeging van andere grondstoffen. In 1930 werd besloten om een speciale mengvoederfabriek op te richten op de plaats van het indertijd verplaatste pakhuis”Congo”.

Groepsfoto uit 1924


De leiding gefotografeerd voor het “Oude Oliehuis “(15 juli 1924); v.l.n.r.: C. Smit Pz., fabriekschef; E. G. Duyvis Jr.; E. G. Duyvis Sr., directeur; T. Duyvis EGz”ž directeur; R. Abercrombie Jr., procuratiehouder; A. Schipper Jz., procuratiehouder.

Uitbreiding van de Raffi in 1930


Op deze foto is niet alleen het eerste stuk dat aan de “Raffi “werd gebouwd te zien maar ook het plaatsen van een bordes met de tanks 5 en 6 naast de tank 4 die uit 1924 stamt.

Omstreeks deze tijd begon een aanhoudende groei van de afdeling”Eetbare Oliën en Vetten “onder leiding van de heer H. Peeters. Oorspronkelijk was de commerciële basis van de oliefabricage enerzijds het verkopen van ruwe oliën en het inkopen van de grondstoffen, anderzijds het verkopen van de koeken.

De heer G. Krijt was de man van de lijnolie en de grondstoffen. Voor de olie was er in Amsterdam een uiterst belangrijke termijnmarkt. Tijdens het”olierondje “op de beurs werd de olie gekocht en verkocht voor levering op een veel later tijdstip. Er werd door het bedrijf niet alleen olie die de fabriek produceerde verkocht, maar er werd ook olie van anderen gekocht en weer doorverkocht naar het buitenland. De handel in ruwe olie (speciaal lijnolie) stond dus vaak geheel los van de fabriek. Met de eetbare olien en vetten was dat anders. De raffinade die werd verkocht was inderdaad van ons afkomstig. Als de zaken zich uitbreidden moest eerst voor voldoende capaciteit worden gezorgd. Er brak in 1930 een periode aan waarin de “Raffi “voortdurend en snel zou groeien.

Kantoor en “De Olijftak “in 1931

Toen de oliefabriek “De Kroon “ophield te bestaan werden het oliehuis “De Olijftak “en het kantoorgebouw overgenomen. Het kantoor dat sinds 1914 in het voormalige weeshuis was gevestigd bestond uit één ruimte en was langzamerhand te klein geworden. In oktober verhuisde men naar het kantoor van “De Kroon “nadat dit gelijkvloers een grote uitbreiding had ondergaan. Het oude kantoor werd daarop voor de helft als ontvangst-gelegenheid ingericht speciaal ten behoeve van de veevoederafdeling. De andere helft werd research-laboratorium. Sinds 1922 was reeds een bedrijfslaboratorium gevestigd naast het fabriekskantoor boven de smederij die enkele jaren eerder tegen de silo was gebouwd op de plaats waar zich nu de timmerwerkplaats bevindt.

Achter het kantoor is “De Olijftak “zichtbaar. In dit gebouw werd in 1933 de levensmiddelenfabriek gevestigd. Reeds sinds enkele jaren daarvoor werd slaolie in flessen afgeleverd. De tapperij bevond zich in pakhuis “De Steenklip”. Deze tapperij verhuisde nu naar “De Olijftak “en men nam bovendien het maken van bak- en braadvet ter hand, (“Extra Jus”), alsook de fabricage van mayonaise. Spoedig daarop deed de “Salata “zijn intrede, een nog volkomen onbekend artikel in die tijd.

Bouw van de vetzuursplitserij

Het splitsen van de vetwaren gebeurde vóór 1935 in het houten pakhuis “Walvis”. Door het uitbreiden van de capaciteit van de Raffi sinds 1930 (met ketels van maar liefst 25 ton inhoud!) moest ook de vetzuursplitserij worden uitgebreid. Men hoopte bovendien de “Raffi “verder te kunnen uitbreiden en in dat geval zou pakhuis “Walvis “plaats moeten maken. Er werd dan ook een nieuwe vetzuursplitserij gebouwd aan de andere kant van de tanks. Er stonden 2 splitskuipen in.

De Wachter

Het terrein waarover kon worden beschikt was belangrijk uitgebreid door de aankoop van “New York “en van terrein tussen de tanks en de Lagedijk. Om ook voor de verre toekomst over voldoende terrein te beschikken werd in 1935 de aan de oostkant van de Zaan gelegen oliefabriek “De Wachter “overgenomen, met het uitgestrekte terrein dat daarbij behoorde en het pakhuis “Vos “(dat op de plaats stond waar nu “Niger “staat, en in het jaar 1950 verbrandde).

De oude Lancashire ketel moet plaats maken in 1936


Op de foto is te zien hoe het transport wordt voorbereid. Op de voorgrond de heer T. Duyvis EGz. in lichte stofjas. Rechts van hem de heer H. Smit. (Op deze foto zijn bovendien de machinekamer en de was-, kleed- en schaft-gelegenheid te zien die omstreeks 1914 waren gebouwd.)

Het vergroten van de capaciteit van de “Raffi “maakte de behoefte aan stoom steeds groter. In 1936 werd bij Stork een automatisch met kolen gestookte stoomketel besteld (V.O. 385 m2, gestookt op 12 Ato). Het Ketelhuis moest hiertoe worden verhoogd en uitgebreid naar de kant van de Noorderhaven. De oude Lancashire ketel werd verkocht aan een bedrijf in Utrecht.

Bouw nieuwe “Gambia “1937

Een jaar later, in 1937, werd de Raffi enorm uitgebreid. Het aantal neutraal- en bleekketels werd op zes gebracht en er kwam een separator-installatie om neutrale olie terug te winnen uit de zeep. De stomerij werd ingrijpend gewijzigd en werkte sindsdien volgens een nieuw principe. De capaciteit van de Raffi steeg hierdoor tot ca. 400 ton per week. In 1937 werd ook het bordes met de tanks 7, 8 en 9 gebouwd tussen “1930 “en de oudere tanks. Bovendien werd “Gambia “belangrijk vergroot.

Het complex in 1838


Deze luchtfoto toont het bedrijf zoals het was toen de tweede wereldoorlog uitbrak. Hierdoor kwam op slag een einde aan de snelle ontwikkeling. Het totale personeel, dus inclusief kantoor en buitendienst, bedroeg toen ongeveer 225 man.

In de oorlogstijd; met zijn spanningen, heeft het bedrijf heel weinig werk omhanden gehad en het was een groot probleem om deportatie van personeel zoveel mogelijk te voorkomen. Het lukte om de wringers verborgen te houden voor de op roof beluste vijand, die slechts twee veevoederpersen en de brandspuit in de wacht wist te slepen. In de moeilijkste jaren werd de levensmiddelenfabriek “De Olijftak “ondanks alles verbouwd (1944).

Na de oorlog moest alles weer van voren af aan beginnen onder geheel veranderde omstandigheden. Wat sindsdien tot stand is gebracht wordt nog even in het kort weergegeven. In 1947 werd het kantoor uitgebreid door het plaatsen van een houten noodschool.

In 1947 werd een verdieping op “1928 “gebouwd in verband met de verwerking van copra. De toestand op de grondstoffen-markt was geheel veranderd en dit was het eerste resultaat van het zoeken naar nieuwe wegen. Een ander besluit met verstrekkende gevolgen was het beeindigen van de veevoeder-produktie na het seizoen 1948/1949. Veevoederfabricage kreeg een geheel ander karakter. Er moesten voornamelijk grondstoffen worden verwerkt die niet van oliefabrieken afkomstig waren. Men stond voor de keuze een geheel nieuwe veevoederfabriek te bouwen of met de produktie op te houden en koos dit laatste.

Brand van “De Vos “en “De Posthoorn “17-18 april 1950

Vóór de levensmiddelenfabriek kon worden overgebracht verbrandden de pakhuizen “De Vos “en “De Posthoorn”. Gelukkig bleef “De Olijftak “gespaard, zodat de levensmiddelen-produktie met kunst en vliegwerk kon doorgaan.

Tijdens de brand vreesde men echter het ergste voor de omringende gebouwen. Al na zeer korte tijd sloegen de vlammen hoog boven de geheel houten pakhuizen uit. Bij de opruimingswerkzaamheden bleek dat de flessen die erin waren opgeslagen, aan elkaar waren gesmolten. De Zaanse brandweer was met groot materieel aanwezig. Op de voorgrond onze eigen spuit uit die tijd. In 1951 werd de nieuwe fabriek “1950 “betrokken die een capaciteit had van ca. 6000 flessen per uur. De steeds grotere levensmiddelen-produktie was mede oorzaak dat er een nieuw transformatorhuis moest worden gebouwd. Ook de proef-keuken werd beter gehuisvest in een houten gebouwtje tussen transformatorhuis en “Reizigerslokaal”.

“Wolga “verbouwd tot levensmiddelenfabriek “1950”

De levensmiddelenfabriek breidde zich na de oorlog zo sterk uit dat besloten werd de ruimte die in “Wolga “vrij kwam (nu geen veevoer meer gemaakt werd) voor de produktie van levensmiddelen te bestemmen.

Benninga’s Friese Margarinefabriek

In 1952 begon de samenwerking met Benninga’s Friese Margarinefabrieken in Leeuwarden. Deze samenwerking is voor ons bedrijf van zeer groot belang gebleken. Met het oog op de margarine, maar meer nog met het oog op de fabricage van de vetten als reuzel en ghee.

Vetfabriek “1954”


Op de achtergrond van deze foto is het pakhuis “Niger “zichtbaar dat na de brand op de plaats van de voormalige pakhuizen “De Vos “en “De Posthoorn “werd gebouwd.

Nadat “De Olijftak “als Ievensmiddelenfabriek had afgedaan werd hij vergroot en ingericht als fabriek voor het bewerken en verpakken van vetten voor export. De oude plaatijzeren vatenstomerij moest daartoe worden afgedankt. Er verrees in 1954 een nieuwe gelegenheid voor het wassen en stomen van vaten naast”Gambia”.

Uitbreiding tankbordes 1955

De foto toont het optakelen van een van de tanks met behulp van een rechtmast met arm. Vroeger bestond alleen het linkse gedeelte en was het rechter gedeelte een sloot die als “Noorderhaven “uitliep in de Zaan.

In de “Raffi “voltrokken zich na de oorlog vele veranderingen. De stomerij werd volkomen gereorganiseerd evenals het neutraliseren, dat nu met separatoren wordt gedaan. Onder het tankbordes bij de “Raffi “werden eerst bakken voor vetten geplaatst in een verwarmde ruimte. Kort daarop werd in 1955 het tankbordes uitgebreid met 8 tanks.

Vroeger werd de Schipperslaan “Stinkpad “genoemd omdat er lang geleden een leerlooierij gevestigd is geweest en het looien een ondragelijke lucht verspreidde. De Vermaningstraat heette vroeger ook anders namelijk “Vossepad”. Deze naam hing natuurlijk samen met de naam van het pakhuis “De Vos”.

Links op de foto is nog net een deel van Portiersloge en “Reizigerslokaal “te zien. Het “Reizigerslokaal “heeft jaren dienst gedaan als trefpunt voor onze vertegenwoordigers uit alle delen van het land.

Het laboratorium in 1956

Op de reeds iets eerder gebouwde fietsenstalling werd een nieuw laboratorium opgetrokken, dat aan de huidige eisen van bedrijfscontrole en research volledig voldoet.

Pakhuis “Zaan “1956

De “Oude Oliefabriek “was een typische lijnzaadperserij en had sinds 1939 niet meer gedraaid. Nadat de filterzolder uit het “Oude Oliehuis “in 1953 naar fabriek “1930 “was overgebracht deed een gedeelte van de gebouwen reeds dienst als opslagplaats voor fabriek “1950”.

In 1956 werden “Oude Fabriek “en “Oud Oliehuis “helemaal uitgesloopt en inwendig herbouwd tot pakhuis “Zaan”. Inmiddels was in de andere perserij en ook het een en ander gebeurd dat het gemis van deze perserij volkomen goedmaakte. Nadat successievelijk nieuwe machines waren geplaatst voor het malen en voorpersen gelukte het om copra met steeds betel rendement te verwerken. Ook palmpitten deden hun intrede als grondstof voor de perserijen. Deze grondstoffen zijn rijker aan vet dan lijnzaad en grondnoten en zo werd het mogelijk om een capaciteit te bereiken die de vooroorlogse heeft overtroffen ondanks het wegvallen van de”Oude Fabriek”.

Bleekaarde – extractie

Het ontvetten van afgewerkte bleekaarde werd verbeterd door de bouw van een extractiefabriek op het vatenterrein. In 1958 werd de vetzuursplitserij uitgebreid door het aanbouwen van opslagruimte tegen “1935”.

In de “Raffi “zelf kwam reeds eerder een tweede neutraliseer eenheid in bedrijf nadat daarvóór de stomerij een flinke uitbreiding had ondergaan door het bijplaatsen van grote stomers. De vacuum-installatie werd ook volkomen gemoderniseerd. Ook de levensmiddelenfabriek heeft zijn capaciteit inmiddels verder uitgebreid.

In 1957 kwam de tweede spoelmachine en werden de fabricage- en de tap-afdeling verbeterd en vergroot. In het ketelhuis werd een tweede grote stoomketel geplaatst en gelijktijdig werd overgegaan op stoken met olie inplaats van kolen. Deze verandering maakte het bijplaatsen van een tweedehands Schotse stoomketel noodzakelijk. Deze noodketel werd geplaatst tussen het ketelhuis en de tanks 1, 2 en 3.

De technische dienst, die eveneens zorgt dat de fabrieken kunnen blijven draaien, werd gecentraliseerd en ruim gehuisvest op de plaats van de oude smederij en het oude kantoor. Voordien waren sinds de bouw van het nieuwe transformatorhuis magazijn en “timmerwinkel “in New York gehuisvest.

In 1953 was reeds een verdieping op het kantoor geplaatst en in 1958 werd de aanbouw uit het jaar 1947 vergroot en verbeterd. Al met al heeft het bedrijf na de oorlog weer een grote vlucht genomen, zij het dan dat in veel opzichten andere wegen worden bewandeld dan vroeger.