Koog a/d Zaan

De Koger begraafplaats

In 1642 werd er iets ten noorden van de plek van de huidige Kogerkerk een schoolhuis gebouwd. Ongeveer op de plek waar nu de flat aan de Verzetstraat staat. In het schoolhuis werd ook gepredikt voor de Gereformeerden bewoners van Koog. Daarvoor kerkten zij in Zaandijk en Zaandam want men had nog geen eigen kerk. De leraar van het Schoolhuis had meerdere taken: naast het geven van onderwijs trad hij ook op als uitvaartleider, koster (nadat de kerk was gebouwd), organist, voorzanger, etc. Al deze baantjes leverden hem slechts een karig inkomen op. Na de bouw van het schoolhuis bleef er een strook onbebouwde grond over.

De openbare begraafplaats achter de Kogerkerk (foto: A. v.d. Berg).

Octrooi verleend t.b.v. de begraafplaats
Door de ridderschap, de edelen en de steden in Holland en West-Friesland werd er aan de regenten van Koog aan de Zaan in 1645 octrooi verleend t.b.v. de aanleg van een begraafplaats op de strook grond naast het Schoolhuis.
Voor het ontstaan van de Koger begraafplaats werden de doden namelijk naar Westzaan gebracht en aldaar begraven. Omdat het een lange weg was naar de Grote Kerk te Westzaan en het moeilijk was om te varen als het bijv. gevroren had of slecht weer was, kregen de regenten toestemming om zelf een begraafplaats aan te leggen in Koog aan de Zaan.

De Kogerkerk en de begraafplaats
De 1e begraafplaats, gelegen naast het Schoolhuis, werd in 1686 bij de nieuw aangelegde begraafplaats achter de nieuwgebouwde kerk gevoegd. Na de bouw van de kerk kon er ook in de kerk worden begraven, maar dat was niet voor iedereen weggelegd. De uitdrukking “rijke stinkerds” spreekt voor zich. Wettelijk werd het begraven in de kerk al in 1804 door keizer Napoleon afgeschaft, maar dit hield niet lang stand. Uit hygiënisch oogpunt en de doordringende lijkenlucht in de kerk werd het gebruik van familiegraven in de kerk uiteindelijk in 1829 verboden.

Zelfs na de invoering van het verplicht gebruik van het begraafplaats was er nog steeds onderscheid tussen arm en rijk. De rijke families kochten familiegraven die heel dicht tegen de kerk aan lagen. De minder draagkrachtigen vonden hun laatste rustplaats aan de randen van de begraafplaats. Diegene die zichzelf van het leven hadden beroofd werden aan de noordkant, zonder aanduiding, begraven.

In 1824 werd de één beukige Kogerkerk vergroot tot kruiskerk om alle gelovigen plaats te kunnen bieden, in 1828 werd het kerkhof ook uitgebreid. Dit had te maken met de verplichting om nog uitsluitend op het kerkhof te begraven. In 1920 brandde de kerk geheel af, de graven in de kerk werden toen geruimd. In 1922 werd de kerk herbouwd en de zerken werden in de kerkvloer gelegd. Niet lang daarna werd het kerkhof aan de west- en zuidzijde uitgebreid.

De indeling van de Koger begraafplaats
Het centrale pad is nog een deel van de oude indeling. Dit pand is aan weerszijden voorzien van bomen. Aan het einde van het pad staat een stenen baarhuisje, gebouwd aan het einde van de jaren ’50. In dit huisje staat nog steeds een oude draagbaar die vroeger gebruikt werd bij begrafenissen.

Het brede pad met het baarhuisje aan het eind· De kerk en de begraafplaats in 1910 ( foto’s GAZ).

Als je goed oplet, kun je in halverwege de muur een breuk zien. Waarschijnlijk was dit de grens van het oude kerkhof, in de jaren ’20 van de vorige eeuw werd de begraafplaats vergroot. Ook is er nog een oude waterput en -kelder te vinden. In het verleden werd de hemelwaterafvoer van de kerk hier naar toe gevoerd.

De uitstraling is die van laat 19e, begin 20e eeuw. Hardstenen zerken, zoals deze vroeger in de kerk lagen, liggen direct tegen de kerk aan. Sommige zijn misschien zelfs nog van de 17e eeuw. Gelijk achter de kerk zijn familiegraven te vinden van o.a. de families Honig, Duyvis, Evert Smit, fam. Stuurman en een graf van Dirk Andries Flentrop.

Grafmonument
Het bijzondere familiegraf van de fam. Sweepe nog steeds in een goede conditie. De gemeente ontving na het overlijden van Hendrik Sweepe jr. een bedrag van fl. 5.000, – waarvan de rente gereserveerd moest worden voor het onderhoud van het graf van Hendrik, zijn vrouw Johanna Elisabeth Barlow en dochter Johanna Elisabeth Sweepe. Ook zijn ouders, Hendrik Sweepe sr. En Maartje Verheul en zijn zus Maartje Sweepe liggen in het graf. Zo moest men er voor zorgen dat de zerk er knap bij lag maar ook dat het hekwerk werd geschilderd. Destijds was het zwart met zilver en Hendrik beschreef dat dit zo moest blijven. Hij had ook vastgelegd dat de doodgraver die het graf onderhield elk jaar en douceurtje moest krijgen van minimaal fl. 10, – Enkele jaren geleden werd het graf nog geheel opgeknapt.

Het familiegraf van Hendrik Sweepe (foto A. v.d. Berg) De kerk en de begraafplaats in 1920 (foto GAZ).

Begrafenisfondsen
De Zaanse naam voor de begrafenisfondsen was “dodenbos” oftewel “dodenbus” (de u werd toentertijd uitgesproken als o), vernoemd naar de bus waarin de contributie van de leden werd opgehaald. In de twintigste eeuw verdwenen de dodenbussen. In hun plaats kwamen de begrafenisverenigingen en uitvaartverzekeringen. De “dodenbos” kwam elke week bij de aangeslotenen langs om de contributie te innen. In het begin kostte dat enkele centen, daarna werd het een stuiver en nog later een dubbeltje. Het fonds gaf alleen geld uit als één van de aangeslotenen of zijn direct inwonende familieleden overleed. Als er lang geen geld was uitgegeven schonk men soms een som geld aan bijv. een weeshuis.

De Zaanse Begrafenisfondsen waren vaak per beroepsgroep georganiseerd. Zaandam had al voor 1689 een fonds voor lijndraaiers, wevers (1714), timmerlieden (1721), touwslagers (1726), stijfselmakers (vóór 1762), en twee organisaties voor burgers (1714 en 1724). Het noorden van de Zaanstreek was wat later met het oprichten van deze fondsen.

De Kooger Doodenbos
Op de Koog kon men lid worden van het Begrafenisfonds de Kooger Doodenbos (1743-1949). Hij was opgedeeld in klassen: 1e, 2e, 3e klasse. De oprichters waren 9 mannen uit Koog aan de Zaan. Zij verklaarden met elkaar een contract aan te gaan ‘tot een verzameling en inleg van penningen, die gebruikt worden tot een eerlijke begrafenis van de deelgenoten van het zelve contract’.

Het begrafenisfonds kwam onder leiding te staan van negen ‘opzienders’ (toezichthouders) en vier directeuren (‘overluiden’, ‘bosheren’), die werden gekozen uit de negen opzienders.

Jaarlijks traden twee directeuren af tijdens een vergadering, waarin ook de kas werd opgemaakt. Het geld en de waardepapieren van het fonds werden bewaard in een kist, die door de directeuren werd beheerd. Het contract van 1743 spreekt van een ‘gemeene bos met ijzer beslagen en met drie slooten voorzien’. Eén van de directeuren had deze kist in huis en kreeg hiervoor een vergoeding van 6 gulden per jaar.

De andere drie directeuren beheerden elk één van de drie sleutels, waarmee de sloten van de kist geopend konden worden. Aan het einde van iedere maand, op de zondagmiddag tussen 14.00 en 16.00 uur, brachten de deelnemers aan het contract hun wekelijkse inleg naar het huis van de directeur bij wie de geldkist stond.

In het contract van 1743 staat de volgende verplichting: wie lid was van de Kooger Doodenbos had ook de plicht om de begrafenis van de andere deelgenoten van het contract bij te wonen. De leden van het fonds kwamen in ‘swarte rokken oft pijen’ en werden geacht zich fatsoenlijk te gedragen: niet blijven hangen op straat, maar ‘met en beneffens des overledens vrinden’ vanuit het sterfhuis de stoet volgen en pas na hen de begraafplaats verlaten.

Willem Hendriksz. Bakker werd in dienst genomen als ‘boodbrenger’ (aanspreker) om de leden van het fonds uit te nodigen voor een begrafenis.

In 1850 werd het aantal directeuren teruggebracht van vier naar twee. De geldkist van het fonds bleef waarschijnlijk in gebruik voor het bewaren van waardepapieren, maar in 1820 werd een eerste bedrag van fl. 300, – naar de spaarbank gebracht en in 1835 besloot men het overschot aan kasgeld niet langer uit te keren, maar te beleggen op de bank of in effecten.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek noemde de Kooger Doodenbos in 1942 een fonds ‘buiten gildeverband’. De inleg was toentertijd één gulden, of twee gulden bij een echtpaar, want de oprichters van het fonds schreven ook hun vrouwen in. Wekelijks betaalden de deelgenoten van het contract één tot anderhalve stuiver en bij overlijden kregen zij een uitkering van 20 gulden. Ook de weduwen van de deelnemers hadden recht op een uitkering bij overlijden van 20 gulden.

Het toegangshek naar de begraafplaats (foto: A. v.d. Berg).

In 1949 fuseerde het Kooger Doodenbos met Vesta, een maatschappij van levensverzekering met uitkering bij geboorte die in Amsterdam was opgericht en zich vervolgens in Arnhem vestigde. Bij de overname werd een verzekerd kapitaal van fl. 30.915, – ingebracht en 229 contracten.

Dit was de eerste stap in een reeks van fusies en overnames. Vesta fuseerde in 1971 met de Amsterdamse Victoria N.V. Verzekeringsbank tot Victoria-Vesta. Vervolgens vond in de periode 1993-1995 een fusie plaats met RVS Levensverzekering N.V., die evenals Victoria-Vesta eigendom was van Nationale Nederlanden. De merknaam RVS verdween in 2009. Nationale Nederlanden maakt sinds 1991 deel uit van de ING-groep.

Begrafenisreglement
Vanuit de gemeente Koog aan de Zaan werd er in 1869 een begrafenisreglement afgekondigd. Daarin werden de uren waartussen er begraven mocht worden aangegeven, maar ook de kosten voor het begraven, het plaatsen van grafmonumenten en /of hekwerken, het luiden van de klok en het beschikbaar stellen van een gemeentelijk lijkkleed.

J.D.A. Hellema

Herbegrafenis van verzetsstrijder J.D.A. Hellema (24-05-1896 / 10-02-1945)
Johan Dirk Antoon Hellema, eigenaar van Hellema verpakkingen, was betrokken bij de droppings en vervoer van wapens, is daarbij gepakt en neergeschoten in Obdam in de kop van Noord-Holland. Op 10 februari 1945 was Hellema aanwezig bij een bijeenkomst van de verzetsgroep bij leider Hil Schipper in Spanbroek. Ook andere belangrijke ondergrondse kopstukken als de Alkmaarse chirurg Frederik Haverkamp en de Amsterdamse verzetsman Tobias Biallosterski (schuilnaam Hans Engelse) waren present. Tijdens hun tocht met de auto richting Amsterdam werden zij door de bezetter, die op de hoogte was van de Engelse droppingsacties, bij Wognum gearresteerd. De gevangenen werden verhoord en in een kamer van het gemeentehuis van Obdam opgesloten. Schipper, die op de hoogte was van de arrestatie, omsingelde met een aantal bewapende verzetsmannen het gemeentehuis. De gevangenen, die de schoten hoorden, zagen kans een ontsnappingspoging te wagen. Tijdens zijn vlucht werd Johan Hellema door een kogel in het achterhoofd getroffen. Na de bevrijding werd Johan Hellema herbegraven op het Koger kerkhof met militaire eer.

Johan Hellema werd op 06-06-1945 gedragen door de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in de Kerkstraat en ontving bij het graf ere saluutschoten. Later is hij herbegraven op de erebegraafplaats in Loenen.

De Koger begraafplaats werd gesloten op 01-01-1972. Sindsdien wordt de begraafplaats in Rooswijk, Zaandijk, gebruikt door de Koger bevolking.

Als men de Koger begraafplaats wil bezichtigen dan kan met de sleutel ophalen bij de heer Gruijs, Badhuisstraat 3