Zo… Ik was lid geworden van de ZVV Zaandijk, hoofdveld over de brug, trainen op het bijveld in Rooswijk, achter het Fortuin. In augustus voor de eerste maal naar de training. Qua accommodatie waren we in die tijd wel veel gewend, dus de watervoorziening in de kleedkamer met alleen koud water uit een kraantje viel nog wel mee. Waar ik wel aan moest wennen, waren niet de eironde lederen ballen met veter, maar wel de roeitochtjes in het waterrijke Guisveld. Weggeschoten ballen moesten worden achterhaald met de roeiboot. Maar ook de vlaaienuitlaat van het vee van boerenhoeve “Het Fortuin” moest worden geruimd.

Ik was eigenlijk een jaar te laat bij m’n voetbalclub binnengestapt. Mijn nieuwe vrienden hadden enkele maanden hiervoor een heel bijzondere trip naar Italië gemaakt. Naar wat ik hoorde speelde zij tegen fanatieke Italianen, die met ruime cijfers wisten te winnen. Naar ik hoorde waren de Zaandijkers blij dat ze over een kei van een keeper beschikten, want zonder Bob Tuyn was de uitslag desastreus geweest. Deze bijzondere reis voor dit juniorenteam was, naar ik hoorde, grotendeels mogelijk gemaakt door voorzitter Prins. Een voorzitter die kort bij de club verbleef, enigszins autoritair zonder al te veel kennis van het spelletje voetbal. Bij een van mijn eerste wedstrijden in de A-junioren gaf hij mij een bijzondere tactische raadgeving. ‘Bij ieder schot op het vijandelijk doel moet jij doorlopen naar de vijandelijke doelman. Hij zal niet elke keer klemvast zijn’ zo luidde zijn raadgeving. We leefden destijds nog lang niet in het “ waarom-tijdperk ”. Dus ik deed braaf wat van mij werd verwacht. En laat ik nog scoren ook door de voorspelde fout van de doelman. Ik vond het later een zinloze onderneming en staakte het nodeloze gedraaf.

Het voetbalseizoen ’61-’62 was bijzonder voor mij en mijn jongere ploeggenoten. De meeste jongens maakten de grote stap van aspiranten naar het hoogste juniorenteam. Na kwalificatie promoveerden we rechtstreeks naar de hoofdklasse. Bijzonder eigenlijk dat ik enkel samen met Bob Tuijn, Chris Rem en Nico Valk tot de ‘oude garde’ behoorde en moesten vertrouwen op goede resultaten in de hoogste klasse van het Noordhollandse voetbal met jonge jochies. De klasse van Chris Dekker, Job van Bruinisse, Hans Bruin, Geert Schuddeboom, Piet Nolta, Cees van der Woude, Fred Zeeman en Wim Hoffman stond borg voor prachtige resultaten. Leider Evert Muller was jaren later nog apetrots op zijn jongens. De jeugd van o.m. KFC, ZFC en Alkmaar ’54 werden met elan bestreden en verslagen. De wedstrijd tegen Alkmaar ’54 was wel bijzonder. Op het hoofdveld in de Alkmaarder Hout werden toekomstige profjes met een 5-1 nederlaag het bos in gestuurd. Chris Dekker presteerde het om 4 of 5 man in het strafschopgebied op het verkeerde been te zetten en nonchalant de bal in het doel te leggen

We werden glanzend kampioen van de hoofdklasse. Een bescheiden feestje kon er wel vanaf, met vele bossen bloemen en de toezegging voor een bezoek aan een wedstrijd van Ajax in de Intertoto, Verder maakten we een leuk uitstapje naar Bonn (in een buitenwijk Ippendorf). We werden dorps onthaald door een muziekkorps en pleegouders heetten ons welkom. Het bleek achteraf dat de culinaire Duitse keuken voor velen van ons vreemd overkwam. Onderling gemopper over de overmatige knoflook toediening. Ik had het beter voor elkaar. Mijn pleegouders bestierden een enorme groothandel in dranken en hadden de stad Bonn als verzorgingsgebied. Op jonge leeftijd leerde ik daar de geneugten van een goed glas wijn kennen. Mijn pleegouders aten buitenshuis waardoor ik verzekerd was een perfect avondmaal.

Mijn primitieve dankbetuiging in de Blauwwitter naar het jeugdbestuur.

Het was een fantastisch voetbaljaar dat ik bij Zaandijk-jeugd beleefde en vond het jammer dat ik overging naar de senioren van de club. Immers mijn voetbalvrienden konden door promotie in het volgende seizoen hun krachten meten met sterkere tegenstanders met onder meer Ajax, wat zij overigens ook voortreffelijk deden met een officieus kampioenschap in deze interregionale klasse. De competitie kon niet volledig worden uitgespeeld door de lange barre winter tijdens dat seizoen.

Het eerste elftal van de club speelde in de derde klasse. In 1962 zag het voetballandschap er heel anders uit dan vandaag.

Bij het semiprofessionele voetbal kenden we drie klassen t.w.: Eredivisie en 1e en 2e divisie, en direct daaronder het amateurvoetbal met een 1e t/m 4e klasse, alsmede een onderklasse (Afd. Noord Holland) 1e t/m 3e klasse).

Tijdens mijn juniorentijd mocht ik invallen in het 1e team. Met Geert Schuddeboom bezocht ik een uitwedstrijd tegen Neerlandica op sportpark Riekerhaven in A’dam. Net voor de rust viel Kees Hartland uit met een blessure. Voetbalclubs konden in die tijd alleen wisselen bij blessures, maar de club had geen reserve beschikbaar. Ik in de kleding van Kees gestapt. Op zijn voetbalschoenen, die één of twee maten te klein waren en zo het veld in. Laat ik ook nog scoren… Ik was gewend aan felicitaties van mijn juniorenteam, maar bij de senioren was de vreugde uitbarsting van een ander niveau. Ik kreeg een knie op een lichaamsdeel in de onderbuik. Lag in elkaar gedoken in het vijandelijke strafschopgebied, terwijl m’n ploeggenoten alweer op eigen helft stonden. Uit een ooghoek zag ik trainer/speler Andries Kok met de natte spons op mij toesnellen. Dan toch maar opstaan en net doen alsof het allemaal wel meeviel. Trots op mijn debuut was ik zeker , maar wel met pijn in de afgeklemde tenen.

Het mijn eerste seizoen mocht ik echt in Zaandijk debuteren bij oefenwedstrijden. Reeds tijdens het debuut werd al snel duidelijk dat het er nogal fors aan toe ging. De eerste wedstrijd speelden we tijdens een speciale feestdag met turnen en wielrennen op een grasveld tegen De Zouaven in Grootebroek. Ik keek op tegen de oudere spelers en merkte ook dat het seniorenvoetbal fysiek een stuk harder was dan bij de jeugd. Saamhorigheid stond hoog in het vaandel. Als ik keihard werd aangepakt, dan trad Arie Mulderij op als een escort. “Ik pak hem zo wel terug” zei Arie dan stoïcijns. En meestal deed ‘ie dat ook.

Het team stond onder leiding van Andries Kok, een vermaarde technicus van inmiddels 43 jaar oud, die geruime tijd één van de beste spelers van het naburige KFC was. Nog steeds verbaast het mij dat Andries nooit op een hoger niveau speelde. Hij kon feilloos een pass geven, zuiver en op de juiste snelheid. En als geen ander had hij het pingelen onder de knie. In zijn semiprofperiode schoot hij 4 wedstrijden achtereen vrije trappen van buiten de ‘16 ‘ het kruis in. Toen ik hem eens vroeg naar het geheim van zijn vrije trap vertelde hij me dat het nogal gemakkelijk was, “Snel de vrije trap nemen en richten op de hoofden van de spelers in het muurtje en als je zo’n harde bal op je kokosnoot denkt te krijgen, dan buk je wel even”.

Mijn ‘echte’ eerste competitiewedstrijd was tegen Nautilus in Amsterdam, voorheen een bedrijfsclub van de Shell. De wedstrijd werd gemakkelijk gewonnen. Overigens vertrokken we vanaf de Diederik Sonoyweg met supporters per bus naar Amsterdam. Waarom eigenlijk per bus zou je nu denken. Een duidelijke verklaring is het gebrek aan motorische vervoermiddelen, maar ook verhoogde het zeker de saamhorigheid. Samen met Bob Tuyn waren wij de enige jeugdspelers die dat seizoen waren opgenomen in het eerste team.

Jan Stroo (1944) maakte als speler van 1963 tot 1975 deel uit van de selectie van ZVV Zaandijk.

Kampioen van de hoofdklasse (3)